TROMP, Gerardus

Gerardus
Tromp
Geboren:
Castricum
14 juni 1907
Overleden:
Datum onbekend
Levensbeschrijving: 

Eind 1937 vindt er tussen de Communistische Partij van Spanje en die van Nederland - met afschriften aan het Centraal Comite van de Communistische Internationale - een briefwisseling plaats over het Nederlandse aandeel in de Internationale Brigaden. De toon is somber. Er zijn behoorlijk wat gevallen van desertie geweest onder de Nederlanders en hun inzet laat vaak te wensen over. Voor een deel wordt dat geweten aan taalproblemen en gebrek aan militaire scholing, voor een deel aan het eigenwijze karakter van de Hollanders. De conclusie is dat er "meer en betere" mannen gestuurd moeten worden. Misschien is dat een verklaring voor het feit dat ook Gerrit Tromp van de CPN steun kreeg om naar Spanje te gaan. Tromp stond begin jaren '30 in Alkmaar en omgeving bekend als een notoire inbreker, met de bijnaam Kwikkie. Het is vrijwel uitgesloten dat zijn reputatie niet bekend was maar kennelijk was er het vertrouwen dat hij in Spanje zijn leven zou beteren. Het heeft niet zo mogen zijn: Kwikkie was nauwelijks in Spanje aangekomen of hij besloot al te deserteren. In "De eerste Beverwijkse slachtoffers van het fascisme" schrijft Jan van der Linden over hem:

De Beverwijkers Gerrit Tromp, door vrienden Kwikkie genoemd, en Engel de Groot hielden het, nadat zij naar Madrigueras waren overgeplaatst, voor gezien. Nog voordat zij het front hadden bereikt of aan de gevechten hadden deelgenomen deserteerden zij. Zij waren evenwel in uniform en ongelukkig voor hen viel dit op en zij werden vrij snel door de Republikeinen gearresteerd. Het tweetal werd onmiddellijk opgesloten in een strafkamp in Albaceta. Volgens hen was dit kamp een ware hel. Hier moesten zij hard werken en kregen nog slechter te eten dan tijdens hun opleiding. Door het overmatig drankgebruik onder de bewakers vielen onder de gestraften regelmatig gewonden en zelfs doden te betreuren.

Na enige dagen wisten beiden uit dit kamp te ontsnappen. Dit was hen gelukt door te kennen te geven naar het front gezonden te willen worden. Een inspecteur, toevallig ook een Nederlander, stond hen in ruil voor dit goede voornemen vier dagen rust toe en tevens wat meer vrijheid. Dit laatste bood de beide de mogelijkheid om te ontsnappen. Zo begonnen zij aan een zwerftocht door de bergen naar Valencia. Nog steeds in het uniform met de kans dat zij opnieuw ingerekend zouden worden, wat onherroepelijk de kogel in zou houden. Vier dagen en vier nachten vol angst en spanning duurde deze tocht. Zij reisden ’s nachts en overdag hielden zij zich schuil in de bossen. Zij dronken uit bergbeekjes en aten o.a. eikels, die zij in de bossen verzamelden. Pas in de omgeving van Valencia konden zij zich te goed doen aan sinaasappels. Via Valencia wisten zij Barcelona te bereiken, waar zij kans zagen om van kleding te wisselen. Hier wisten zij ook een pas te krijgen, waarmee zij naar Marseille konden vertrekken. Eenmaal in Marseille aangekomen vroegen zij hulp aan de Nederlandse consul.

Helaas kon de consul hen niet helpen. Door dienst te nemen in een buitenlands leger hadden zij namelijk hun Nederlanderschap verloren. Noodgedwongen besloot het duo om lopend de reis naar Beverwijk aan te vangen. Tijdens deze tocht vroegen zij hier en daar wat eten. Het ontbrak hen natuurlijk aan iedere verzorging. Ongeschoren, met lange haren en een vrij haveloze plunje zagen zij er als vagebonden uit. Het verwonderde hen dan ook niet dat zij, na 550 km te hebben afgelegd, in Nevers werden gearresteerd. Beiden werden wegens landloperij tot 20 dagen gevangenisstraf veroordeeld. In de gevangenis werd Gerrit echter zo ziek, dat hij opgenomen moest worden in het ziekenhuis. Zijn toestand was zo ernstig, dat hij ruim tien dagen tussen leven en dood zweefde. Toen Engel zijn straf had uitgezeten hielp een aantal inwoners uit Nevers hem. Dankzij deze hulp kon hij zijn reis per trein voortzetten en berooid en een illusie armer keerde hij vlak voor de kerstdagen in 1937 terug in Beverwijk, enkele maanden later gevolgd door zijn vriend Gerrit.

Tot zover het verslag van van der Linden.

Na zijn terugkeer wordt Tromp gehoord door de Beverwijkse politie. Hij besluit zijn verhaal met:

Het is mij daar zeer slecht bevallen en ik ben er door armoede en ellende heen gegaan, want ik doe helemaal niet aan politiek. Ik ben nog steeds onder doktersbehandeling en gevoel mij zwak. Ik heb nog een vergiftiging, ontstaan door het slechte voedsel.

Bronnen: 
  • Digitaal Archief Internationale Brigade RGASPI F.545-Op.6-D.399
  • Jan van der Linden, "De eerste Beverwijkse slachtoffers van het fascisme", Historisch Genootschap Midden-Kennemerland,Ledenbulletin 29-2006
  • Nationaal Archief 2.09.22, Ministerie van Justitie, 1914-1940 (Geheim Archief), inventarisnr 16810
  • Telegraaf  11-03-1938, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:110577883:mpeg21:a0222
  • Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.35-L.100
  • Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.403-Ll.15, 47 
  • Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.404-L.82
Auteur: 
Yvonne Scholten
Laatst gewijzigd: 
12-4-2018
Overige gegevens
Sekse: 
man
Beroep: 
Mecanicien
Adres: 
Kloosterstraat 20
Woonplaats: 
Beverwijk
Datum vertrek Nederland/aankomst Spanje: 
31-08-1937
Datum terugkeer: 
00-01-1938
Vader: 
Johannes Tromp
Beroep vader: 
Arbeider
Moeder: 
Antje Stet