Als er één levensverhaal is waarbij een persoon in een tijdspanne van tien jaar bewoog van actief uiterst links en internationalist naar actief uiterst rechts en geheim agent voor de nationaalsocialisten dan is het wel dat van André Engwirda. Of toch niet? Maar hij moest het zeer waarschijnlijk met de dood bekopen.
Krantenartikel uit november 1938, op het einde van de Spaanse Burgeroorlog onder de kop:
“Bij de 125 Nederlandsche vrijwilligers – In kamp aan Spaansch-Fransche grens – verlangend naar huis ( .... )
De jongste Nederlandsche luitenant is André Engwirda uit Maastricht. Hij is 20 jaar en bevindt zich sinds Maart 1937 aan het Spaansche front.
Van beroep is hij kellner. Acht dagen had hij het commando van de Hollandsche compagnie in den strijd aan het Ebrofront. Na zijn verwonding in September 1938 is hij tot luitenant benoemd. ( .... )
Luitenant Engwirda zei mij, blij te zijn spoedig zijn familie in Holland weer terug te zien, hoewel het hem speet zijn Spaansche kameraden te moeten verlaten. ( .... )
Engwirda vertelde verder nog, dat de laatste der Hollanders, die voor de terugtrekking van de compagnie van het Ebrofront gesneuveld is, Leo van Straaten was, een katholieke mijnwerker van 21 jaar uit Limburg.”
(De Telegraaf maandag 28-11-1938 pagina 3 – plus enige lokale bladen)
De vader van André was ijsverkoper in Leeuwarden en sympathiseerde met de sociaaldemocraten van Troelstra. Maar ook handelde hij in onroerend goed wat - rond de geboorte van André - financieel niet goed afliep. Toen André acht jaar oud was verhuisde het gezin – vader, moeder, een oudere broer en twee oudere zusters – naar Limburg.
Het was armoe troef en het gezin woonde in een woonwagen in de omgeving van Maastricht. Vader had zijn oude beroep van ijscoman weer opgenomen en het gezin reisde de kermissen in Limburg af.
Het werd er in de loop der jaren allemaal niet beter op. Vader had het gezin verlaten, werd in 1931 failliet verklaard en een half jaar later werd de scheiding van André’s ouders uitgesproken. De 13-jarige André ging bij zijn vader in de woonwagen wonen. Vader Engwirda reageerde zijn narigheid af op André. Een jaar later werd hij dan ook uit de ouderlijke macht ontzet. André ging bij zijn moeder in Maastricht wonen en ging werken als leerling kelner. Maar hij wilde ook de wijde wereld in, wilde bij de marine of de koopvaardij maar in deze crisisjaren lukte dit hem niet. Onder invloed van zijn stiefvader – Eilt Stuut,een bewuste, linkse spoorwegarbeider - werd hij lid van de sociaaldemocratische AJC (Arbeiders Jeugdcentrale) en het NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen).
In 1934 werkte hij in Maastricht in het gerenommeerde café-restaurant Bosch, daarna als ober in het chique hotel Wilhelmina en in het voorname hotel Du Casque bij het Vrijthof.
De sociaaldemocratie was hem waarschijnlijk iets te mat want in 1935 was hij – 17 jaar oud – lid geworden van de Communistische Jeugdbond (CJB).
Hij probeerde daarna – vergeefs – in Zuid-Limburg een afdeling van de CJB op te richten. André was een actieve communist en had het hoogste woord tijdens bijeenkomsten, Hij werkte voor de partij onder de schuilnaam Eddi Roovers en onderhield mogelijk contact met verzetsmensen binnen nazi-Duitsland. Maar de communistische partij in Zuid-Limburg – hoewel actief - bleef lokaal maar klein, ook in de meer geïndustrialiseerde mijnstreek.
In februari 1937 begint André Engwirda aan een nieuwe uitdaging. Hij laat thuis een brief achter waarin hij vertelt dat hij met enige jongens uit Arnhem naar Spanje is vertrokken. Mogelijk zijn dit de CJB-er Gerard Willemsen en Wilhelm Bouman, afkomstig uit Arnhem maar mijnwerker in Brunssum. Via Luik komen ze aan in Parijs en worden vandaar door het wervingsbureau voor internationale vrijwilligers met de trein doorgestuurd naar Zuid-Frankrijk. Daar gaat een grote groep vrijwilligers te voet door de Pyreneeën de Spaanse grens over. Hierna volgt een treinreis naar het ongeveer 600 kilometer zuidelijker gelegen Albacete, waar het hoofkwartier van de Internationale Brigades is gevestigd. Na een korte militaire opleiding wordt André ingedeeld in het eerste bataljon “Edgar André” van de XIde Brigade.
In de zomer van dat jaar poogt de Spaanse regering een einde te maken aan de fascistische bedreiging aan de west- en zuidrand van Madrid. Het republikeinse leger voert een offensief uit dat bekend wordt als de Slag bij Brunete. In de Spaanse binnenlandse bloedhitte wordt dit een uitputtingsslag met maar beperkt resultaat. André raakt gewond en belandt in een hospitaal.
Ondanks zijn leeftijd – met 19 jaar is hij één van de jongsten – wordt André Engwirda al snel tot korporaal bevorderd. Hierna wordt hij in een rapport als volgt omschreven:
“ENGWIERDA ANDREAS, Holandes
21 años, padres proletarios. Profesión camarero. 1932 Juv .Com.H.
Hizó trabajo fronterizal junto con los compañeros alemanes a dentro de Alemania. Marzo 1937 a España. Era soldado. Jefe de Grupo, de Seccioón y Enlace. Es un compañero exelentamente bravo. Con muy alta moral de lucha. En las situaciones más dificiles elevó la moral de la tropa por su humor sano.
En el mayor fuego cerca de Brunete sonstenía el enlace con las diferentes maqu. de ametralladoras. Y con abnegación les portó en las posiciones más peligrosas.”
(Andreas Engwirda, Nederlander
21 jaar, proletarische ouders, beroep kelner 1932 Comm. Jeugd Ned.
Hij deed samen met Duitse kameraden grenswerk binnen Duitsland. Maart 1937 naar Spanje. Hij was soldaat. Groepsleider van een verbindingssectie. Hij is een buitengewoon dappere kameraad. Met een zeer grote strijdlust. In de moeilijkste situaties wist hij met zijn gezonde humor het moreel van de troepen op te krikken. In het heetst van de strijd bij Brunete wist hij in verbinding te blijven met de verschillende machinegeweren en met zelfopoffering bracht hij ze naar de gevaarlijkste posities.)
André is tijdens de slag bij Brunete geen 21 maar dus 19 jaar. In het eerste halfjaar van het bestaan van de Internationale Brigades was de administratie tamelijk chaotisch.
André Engwirda heeft mogelijk een maand later met de XIde Brigade deelgenomen aan de slag om Belchite. Er is bij hem in deze periode sprake van een longbeschadiging en een schotwond in zijn rechterarm. Hij ligt later in 1937 in een hospitaal in Murcia - ver achter het front – bijna 400 kilometer ten zuidoosten van Madrid. Na herstel blijft hij daar nog enige tijd als lopend patiënt en werkt er als hospik. Pas in december 1937 komt hij terug bij het Edgar André Bataljon. André Engwirda is naar verluidt totaal niet bang in hevige gevechten en is in Spanje duidelijk in zijn element, want in een ander, later rapport van de XIde Brigade van eind 1938 wordt het volgende over hem geschreven:
,,Andres” kam ins März 1937 aus Holland, seiner Heimat, nach Spanien. Er nahm an den Kämpfen der Brigade im Sommer und Herbst 1937 teil. Bei Teruel ist er Führer eines schweren Maschinen-Gewehrs im André-Bataillon. In den Kämpfen am Muleton zeichnet er sich durch aussergewöhnliche Tapferkeit aus. Er wird zum Sergento befördert.
(“Andres” kwam in maart 1937 vanuit Nederland - zijn geboorteland – naar Spanje. Hij nam deel aan strijd van de brigade in de zomer en herfst van 1937. Bij Teruel is hij aanvoerder van een zware-mitrailleurgroep in het Andrébataljon. In de strijd bij de Muleton betoont hij zich buitengewoon dapper. Hij wordt tot sergeant bevorderd.)
In december van 1937 weet het regeringsleger na zware gevechten onder barre winterse omstandigheden de provinciestad Teruel op de Franco-troepen te veroveren. De XIde Internationale Brigade wordt tijdens de slag om Teruel in reserve gehouden. André viert dan – ten noorden van Teruel - zijn twintigste verjaardag.
Maar Franco breekt zijn geplande offensief tegen Madrid af en gaat in de tegenaanval. Pas op het eind van de gevechten rond Teruel – begin januari 1938 – komt de XIde Brigade in actie. Tijdens de gevechten langs de weg van Teruel naar het vijf kilometer noordwestelijk gelegen Concud valt André op door zijn heldenmoed en tactisch inzicht.
Vanaf de berg La Muletón - ten noorden van het pas veroverde Teruel - zou vijandig geschut de nieuwe frontlijn kunnen bestrijken. Het Edgar André en het 12de Februari bataljon van de XIde brigade - versterkt met een eenheid anarchisten - krijgen de opdracht om deze berg te bezetten. Het is niet goed mogelijk om deze onbeschutte – aan alle kanten open liggende – steenklomp te verdedigen. Ook het verschrikkelijke winterweer speelt hen parten: ‘s-nachts vriest het meer dan twintig graden. Na enige dagen constant bestookt te zijn door de zware artillerie van Franco moeten ze deze stelling opgeven. De XIde Brigade verliest 900 man waarvan er 300 zijn doodgevroren.
André overleeft deze hel en wordt vermeld op een “Lista de Héroes” van de XIde Brigade en de Spaanse Republiek.
Zijn pelotonscommandant Hubert Ramm (opererend onder de schuilnaam Bert Ramin) is een gevluchte Duitse communist die in 1976 zijn ervaringen in Spanje op schrift stelt. Vrij vaak noemt hij André Engwirda. De eerste keer op 6 januari 1938:
“Als ersatz werden mir einige holländische Kameraden zugeteilt: André Engwierda und Jacob Hesshoff. Engwierda übernimmt an Stelle von Loco das Gewehr. Er wurde bei Brunete am rechten Arm verwundet und kommt direkt aus dem Lazarett. 1.Schütze am gleichen Gewehr ist der Flame Rick van Ussel.
( .... )
Am 16. Januar werden weitere Kameraden unserer Kompanie befördert. Der Hollânder André Engwierda und der Flame Rik van Ussel erhalten den Dienstgrad Sergeant.”
(Als vervanging [van gewonden die ochtend] worden mij enige Hollandse kameraden toegewezen: André Engwirda en Jaap Heshof. Engwirda neemt in plaats van Loco de mitrailleurgroep over. Hij was bij Brunete gewond geraakt en komt rechtstreeks uit het hospitaal. Eerste schutter bij deze zelfde mitrailleurgroep is de Vlaming Rik Van Ussel.
Op 16 januari worden meerdere kameraden bevorderd. De Nederlander André Engwirda en de Vlaming Rik van Ussel krijgen de rang van sergeant.)
Loco is de bijnaam van de gewond geraakte sergeant Antonio Aguilar-Guitierres. Hij wordt “loco” ( gek) genoemd omdat hij in de gevaarlijkste situaties zijn humor behoudt en grappen blijft maken.
De nationalisten zetten ook de aanval in ten noorden van Teruel. Langs de spoorlijn tussen Teruel en het stadje Alfambra worden o.a. door de restanten van de XIde Brigade verdedigingsstellingen ingenomen. Het mitrailleurpeloton met André Engwirda ligt in reserve.
Hubert Ramm, 19 januari 1938:
“Auf Befehl des Stabschefs schicke ich André mit einigen Leuten auf Patrouille, um zu erkunden, wie weit der Feind vorgestoszen ist. Sie kommen zurück mit dem Meldung, dass oben noch Trupenteile von uns sind und die Gegner aufhalten.”
(Op bevel van de chef-staf stuur ik André met een paar mensen op patrouille om te verkennen hoe ver de vijand is doorgestoten. Ze komen terug met de mededeling dat daar boven zich nog eenheden van ons bevinden en de tegenstander nog tegenhouden.)
De luchtaanvallen met bommen en mitrailleurvuur van meest Duitse gevechtsvliegtuigen gevolgd door de aanval van Franco’s elitetroepen uit Navarra worden de interbrigadisten al snel teveel. Ook het peloton van André Engwirda met zijn commandant Hubert Ramm moet zich terugtrekken.
Ze bezetten een paar honderd meter terug een heuvel. Dat je André iets kon laten organiseren blijkt uit wat Hubert Ramm over 20 januari 1938 schrijft:
“Auf Veranweisung von Albert Kühn besetzen wir mit zwei Maschinegewehren die Höhen entlang der Eissenbahnlinie Alfambra-Teruel. Ich schicke André nach Munition. Er kommt nach kurzer zeit zurück mit einem leichten Maschinengewehr und einige Leuten mit viel Munition.”
(Op instructie van Albert Kühn bezetten we met twee mitrailleurs de hoogte langs de spoorweg Alfambra-Teruel. Ik stuur André er op uit voor munitie. Hij komt korte tijd later terug met een lichte mitrailleur en een paar man met veel munitie.)
Albert Kühn is de commandant van een speciale compagnie van de XIde Brigade. Maar de brigade wordt weer met zware verliezen teruggedreven en is nu totaal gedecimeerd en gedemoraliseerd. Teruel wordt tenslotte op 22 februari door de fascisten van Franco heroverd. Twee weken later start generaal Franco het zogenaamde Aragon-offensief. Gebruikmakend van de door de Duitse adviseurs ontwikkelde blitzkriegtactiek met gecoördineerde aanvallen van tanks en vliegtuigen van het Duitse Condorlegioen weten de nationalisten in zes weken tijd het republikeinse leger terug te dringen. Dit leger met de laatste restanten van de Internationale Brigades levert verwoede achterhoedegevechten, maar moet zich dus steeds verder terugtrekken. Over een frontbreedte van 250 kilometer stoten de nationalisten door. Op 15 april bereiken ze de Middellandse Zee. Catalonië is nu afgesneden van de rest van de Spaanse Republiek.
Een groep van 60 man is geïsoleerd geraakt van de hoofdmacht. Ze lopen in een hinderlaag waarna er nog maar zestien man – waaronder Hubert Ramm en zijn kameraad André Engwirda - over zijn en ze achter de vijandelijke linies raken. Met hulp van de lokale bevolking weten ze de rivier de Ebro te bereiken. Bij Ascó steken ze begin april met de laatste veerpont over naar Catalonië. Een paar uur later wordt Ascó door de fascisten bezet. Wat er nog over is van de Internationale Brigades zal zich in Catalonië hergroeperen.
Hubert Ramm, eind april 1937:
“ Ich werde wieder Zugführer in der MGK der Brigade.
( .... )
Das 2. Gewehr führt André mit seinen Holländern sowie Loco, Chato und einige Kameraden meiner alten Sektion.
Nach einige Tagen kommt das Marschbefehl. Wir besetzen das rechte Ufer des Ebro. Ich muss meine Sektion teilen, ein Gewehr kommt zur 1. Kompanie, das andere wird der 3. Zugeteilt. Ich selbst bleibe beim 2.Gewehr, das André führt.”
(Ik word weer pelotonscommandant in de mitrailleurcompagnie van de [ XIde ] Brigade. André commandeert de tweede mitrailleurgroep met zijn Nederlanders en tevens met Loco, Chato en een paar kameraden van mijn oude peloton. Na een paar dagen krijgen we onze marsorders. We bezetten de rechteroever van de Ebro. Ik moet mijn sectie opdelen. Eén mitrailleurgroep komt bij de 1ste Compagnie, de andere wordt bij de 3de Compagnie ingedeeld. Ik zelf blijf bij de 2de mitrailleurgroep onder aanvoering van André.)
Chato is – vanwege zijn platte neus – de bijnaam van Ramon Torres Serano.
Rechteroever moet zijn linkeroever. De rechteroever is in handen van de fascisten.
Hubert Ramm gebruikt voor peloton de Duitse naam “Zug” en soms ook “Sektion”. “Gewehr” kan hier dan alleen maar vertaald worden als mitrailleurgroep onderdeel van een peloton.
NB Een brigade bestaat uit enkele bataljons, een bataljon uit enkele compagnieën, een compagnie uit een paar pelotons.
In de zomer van 1938 probeert de Republikeinse regering nogmaals het tij te keren en een significante overwinning te behalen: het Ebro-offensief.
Alle vijf Internationale Brigades – nu uit meer dan de helft bestaand uit Spanjaarden - worden ingezet als stoottroepen van het uit 70.000 manschappen bestaande Ebro-leger.
De tussen de plaatsen Falòn en Cherta honderd meter brede Ebrorivier wordt in de nacht van 24 op 25 juli op verschillende plaatsen overgestoken. De XIIIde Brigade verovert het dorp Fatarella en de XIde rukt op langs de weg Mora del Ebro naar Gandesa, verovert het dorp Corbera en is daarna opgerukt tot op drie kilometer van Gandesa.
De nationalisten worden totaal verrast en binnen een paar dagen zijn de republikeinen circa 25 kilometer opgerukt en liggen rond de stadjes Villalba de los Arcos en Gandesa. Op 1 en 2 augustus probeert de XVde Brigade de strategische Heuvel 481 (bijgenaamd de Puist) te veroveren als eerste stap in de verovering van Gandesa. Maar het lukt niet om Gandesa in te nemen.
Weer is het Franco’s strategie om de republikeinen geen enkele terreinwinst te gunnen, zelfs ten koste van andere – meer belangrijke - strategische doelen. In de loop van augustus weet het nationalistische leger met een overmacht aan artillerie en meer dan 300 vliegtuigen de republikeinse troepen stapje voor stapje terug te dringen.
Republikeinse versterkingen kunnen maar moeilijk worden aangevoerd omdat de provisorische bruggen over de Ebro – de meeste niet geschikt voor tanks en andere voertuigen – constant worden aangevallen en vernield. André Engwirda raakt in deze maand weer gewond en wordt afgevoerd naar een hospitaal. Hij is echter al snel weer terug aan het front.
In het eerdere genoemde - latere - rapport van de XIde Brigade van eind 1938:
“Dieser Jungarbeiter Engwirda, der seit Januar 1937 bei der Brigade war, dreimal verwündet wurde, jedes Mal ungeheilt das Krankenhaus verliess und zu seiner Kompanie eilte, wurde erst im August 1938 bei den Ebro-Kämpfen, wo er sich wieder als ein Held zeigte, zum Leutnant befördert.”
(Deze jonge arbeider Engwirda die sinds januari [moet zijn maart] 1937 bij de brigade was, drie maal gewond raakte, iedere keer nog niet genezen het ziekenhuis verliet en zich terug naar zijn compagnie haastte, werd pas in augustus 1938 bij de Ebrogevechten, waar hij zich weer een held toonde, bevorderd tot luitenant.)
In een ander rapport:
“In den Kämpfen am Ebrobogen führt er Zeitweise eine Kompagnie, erkrankt aber und kann an den letzten Kämpfen nicht mehr teilnehmen. Seine Verdienste erkennt die Division durch Beförderung zum Leutnant an.”
(in de strijd bij de Ebrobocht leidt hij tijdelijk een compagnie, wordt echter ziek en kan niet meer aan de laatste gevechten [in september] deelnemen. De divisie waardeert zijn prestatie door hem tot luitenant te bevorderen.)
Bepaald niet slecht voor een gewone Limburgse jongen met alleen maar lagere school.
Er is dan ook niet één Nederlandse vrijwilliger in Spanje die zo veel loftuitingen op zijn conto heeft kunnen schrijven.
André Engwirda wordt samen met Leen Triep, Aat Kater, Jan May en Piet Hermsen voorgedragen om opgenomen te worden in het – nooit gepubliceerde – heldenboek van de XIde Internationale Brigade.
In oktober 1938 worden – als gebaar van de Spaanse regering naar de Volkenbond in Genève – de Internationale Brigades opgeheven. Op 5 december keert André Engwirda samen met meer dan 120 andere Nederlandse interbrigadisten met een speciale trein terug in Nederland. Vanwege dienstneming in vreemde krijgsdienst werd de Nederlandse nationaliteit hen afgenomen. Wel werd André Engwirda in 1939 opgenomen in de lijst van de Nederlandse geheime dienst de CID (Centrale Inlichtingendienst) met linksradicalen:
Engwirda, A.
16.12.17 Leeuwarden; kelner; wil (1938) een comm.jeugd bond stichten met hem als voorman; heeft in Spanje gevochten; werd daar luitenant in de Int.Brigade.
NB. 1938 moet zijn 1935 – tot december 1938 was André Engwirda in Spanje.
Het nieuwe burgerleven na Spanje was voor hem niet erg uitdagend. Veel interbrigadisten uit o.a. Nazi-Duitsland en fascistisch Italië konden in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Nederlanders niet meer terug naar hun land van herkomst en werden in Frankrijk geïnterneerd.
Uit een brief van 12 januari 1939 aan z’n oude strijdmakker Hubert Ramm:
Camp de Concentration St.Cyprien (Pyr. Ort) Groupe Allemande Frankrijk
“.... Wat mezelf betreft wel ik heb het leven en het hangt me hier hardgrondig de keel uit. En zoo gaat het de rest ook. Het liefst hadden ze dat we weer terug konden – voor een paar dagen was het gezellig maar nu alles weer het oude is verveel je je dood.”
Ook schreef hij dat hij nog een brief had gestuurd naar hun oude strijdmakker Antonio Aguilar-Guitierres (Loco) maar geen antwoord had gekregen..
NB. De brief is in het Nederlands: Hubert Ramm was afkomstig uit Aken – vlak over de Nederlandse grens, twintig kilometer van Maastricht en had in de jaren dertig in Nederland en België gewoond.
Het leven hernam toch weer zijn gewone gangetje. André wordt hoedenmaker in de binnenstad van Maastricht. Alleen 10 mei 1940 was een enerverende dag. Het Duitse leger trok door Limburg en veroverde Maastricht. Hierna werden de CPN en de krant “Het Volksdagblad” officieel verboden maar door het Molotov-Ribbentroppact tussen Hitler en Stalin hield de partij zich neutraal gedeisd. Toch werden op 24 september 1940 in Kerkrade, Brunssum en Heerlen 24 communisten en radicale socialisten op last van de Sicherheitspolizei(Sipo) in Aken door de Nederlandse politie gearresteerd. Onder hen waren de in begin 1937 in Spanje werkzame politiek-commissaris van de Nederlanders Albert Potze (“commissaris Winter”) en zijn assistent Jaap Reek en de Spanjestrijder Hein Garritzen. Allen hadden zich in meer of mindere mate in de jaren dertig beziggehouden met hulp aan Duitse vluchtelingen. André Engwirda in Maastricht ontsprong toen nog de dans.
Toch werd er nog wat aan politieke agitatie gedaan. De CPN in Zuid-Limburg begon eind 1940 met een lokaal gestencilde versie van het illegale blad “De Vonk”. André werkte hier actief aan mee. Maar dit blad verdween in februari door de arrestatie van de medewerkers. Ook had de Duitse bezetter de hand weten te leggen op de bovengenoemde lijsten van de CID met ca. 6500 communisten, anarchisten en andere linksradicalen. Gevolg was dat in diezelfde maand in Zuid-Limburg alle bekende Spanjestrijders werden opgepakt. Naast André Engwirda waren dit de chauffeur Hein Smeets, de bouwvakker Anton de Bock en de mijnwerkers Wilhelm Bouman, Jan van Delft, Hendrik Stevens, Engbert Kasemier, Vincze Gyenes en Ludwig Bracic. De laatste twee hadden respectievelijk de Hongaarse en de Joegoslavische nationaliteit. Allen werden in de loop van 1941 weer vrijgelaten. Engbert Kasemier werd op 30 mei 1942 opnieuw opgepakt i.v.m. latere verspreiding van “De Vonk” en overleefde uiteindelijk concentratiekamp Neuengamme. Hein Smeets zat in de zomer van 1944 in Kamp Amersfoort en werd daarna als dwangarbeider te werk gesteld in de buurt van Leipzig.
André Engwirda kwam in juli 1941 vrij. Hij was in mei van het jaar ervoor getrouwd en kon weer terug naar zijn hoogzwangere vrouw. Een paar dagen later werd hun zoon geboren.
Tijdens de verhoren gedurende zijn gevangenschap had hij gemerkt dat hij redelijk in staat was de SD (Sicherheitsdienst, de politieafdeling van de SS) een rad voor de ogen te draaien. Hij ontkende de hun bekende feiten over Spanje niet, maar vertelde dat hij van het communistische gedachtengoed was teruggekomen en om dat te staven had hij zijn ondervragers niet te controleren verhalen op de mouw gespeld.
Na zijn vrijlating was hij zijn baan als hoedenmaker kwijt geraakt en het jonge gezin kwam dus financieel in de problemen.
André Enwirda nam toen de vlucht naar voren. Begin augustus meldde hij zich vrijwillig bij de SD in “Het Witte Huis” aan de Sint Lambertuslaan in Maastricht. Hij werd Vertrauensmann, - V-man - voor de Duitse bezetter.
Waarschijnlijk dacht hij – met zijn lef en branie – een dubbelrol te spelen door het communistische verzet van informatie te voorzien en voor de SD wat hand en spandiensten te verrichten. Met bonussen van de SD zou hij toch nog wat geld kunnen verdienen voor zijn jonge gezin. En zo lang zou de oorlog toch niet meer duren nu - sinds de Duitse inval in Rusland in juni 1941 – het heldhaftige Sovjetvolk onder leiding van kameraad Stalin de nazi’s snel zou verslaan.
En, op voorspraak van Kriminal-Oberassistent Richard Nitsch van de Maastrichtse SD kon hij weer aan de slag in zijn oude beroep. Hij kreeg een baan als kelner in Café-Restaurant Momus aan het Vrijthof. De nieuwe eigenaar was een Duitser en het werd door veel nazi’s gefrequenteerd. Het was de ontmoetingsplaats in Maastricht van SS-ers, de Wehrmacht, NSB-ers en andere collaborateurs. Een aangewezen plek dus voor een dubbelspion. Hij moest daar natuurlijk wel regelmatig de Hitlergroet brengen, maar ja, hij had weer werk.
André Engwirda hield zich vooral bezig met het schaduwen en in de gaten houden van het niet-communistische verzet. Hij had de SD uit ten treure wijsgemaakt dat hij niets meer met de communisten te maken had en weinig meer van ze wist.
Hij had deze dubbelrol niet overlegd met de partijleiding van de CPN maar hij kwam er openlijk voor uit bij zijn kameraden van het communistische verzet. Hij benadrukte keer op keer dat ze van hem niets te vrezen hadden, integendeel.
Na de Duitse inval in de Sovjet-Unie werden onder leiding van de vroegere politiekcommissaris voor de Nederlandse vrijwilligers in de Spaanse Burgeroorlog, Janrik van Gilse de Mil-groepen opgericht (Mil - Militair Verzet/Contact/Commissie ). Het waren kernen van vijf man vaak bestaande uit oud-Spanjestrijders, getraind in sabotage en gewapend verzet. Met zijn ervaring en reputatie in de Spaanse Burgeroorlog zou André Engwirda zonder meer een eerste klas kandidaat zijn voor deze professionele verzetsorganisatie. Maar men vond het vanwege zijn contacten met de SD te link om hem hier voor te vragen.
André Engwirda rapporteerde zijn bevindingen over het niet-communistische verzet aan Nitsch in de Sint Lambertuslaan maar zou tevens deze verzetsmensen via zijn communistische vrienden gewaarschuwd hebben. Maar in november en december 1941 werden toch twee verzetsgroepen door de SD opgerold. De hoofdrolspelers verdwenen in Duitse concentratiekampen, veel zouden de oorlog niet overleven. André Engwirda kreeg van Nitsch weer een bonus van vijftig gulden.
Maar Engwirda leverde nog steeds papier voor het illegale blad De Vonk en verleende hulp bij de distributie. Ook de stencilmachine zou in januari 1942 nog bij hem in huis hebben gestaan.
De arrestatie van enige communistische verzetsmensen van o.a. de Vonkgroep in januari 1942 in Maastricht en Heerlen werd in verzetskringen aan verraad van André Engwirda toegeschreven. Maar uit politieonderzoek na de oorlog bleek dit niet het geval te zijn geweest. Het oprollen van deze verzetsgroep kwam door de – vrijwillig of onder dwang verkregen – informatie van de in oktober 1941 gearresteerde verzetsman en oud-Spanjestrijder Martin Broers.
Het ging echter toch van kwaad tot erger. Om zijn loyaliteit aan het nationaalsocialistische gedachtengoed te tonen nam André nogmaals de vlucht naar voren: hij werd in april 1942 lid van de NSB en meldde zich als vrijwilliger bij de “Nederlandsche SS”, de reserveafdeling van de Waffen-SS.
Maar André Engwirda bleef in de eerste helft van 1942 het communistische verzet in Zuid-Limburg uit de wind houden. Als het niet anders kon om namen van verzetsmensen aan de SD door te geven, waarschuwde hij ze van te voren of liet hij ze door één van zijn contacten waarschuwen. Ook was hij bekend met de hulp die zijn broer, zwager en twee zussen gaven aan onderduikers. Een van zijn zusters had een joodse peuter in huis en toen deze zus enige tijd ziek was verbleef het meisje een paar weken bij het gezin van de NSB’er, SS’er en SD-medewerker André Engwirda en speelde dagelijks in de box met zijn anderhalf jaar oude zoontje.
Van het verzet in Zuid-Limburg was later in 1942 weinig over. André had ook geen contacten meer. Kortom er viel voor de V-man Engwirda niet veel te doen. Hij werkte niet meer bij Momus aan het Vrijthof maar hij kon - weer op voorspraak van de SD – beginnen als brandweerman bij de gemeente Maastricht. Maar naast zijn werk bij de brandweer volgde hij ook een geheime-dienstopleiding in Den Haag en deed voor de SD klusjes in de rest van Nederland.
In augustus 1942 werd hij uitgekozen om een nazi-opleiding in Duitsland te volgen. Hij werd met andere Nederlanders klaargestoomd om als kader te dienen voor het “Feuerschutzpolizei-Regiment Niederlande”. Terug in Maastricht in november werd hij bevorderd tot opperbrandmeester.
Toch kwam toen zijn leven en dat van zijn jonge gezin niet in rustiger vaarwater. De SD liet hem niet met rust – in zo verre hij met rust gelaten wilde worden.
Voorjaar 1943 ging André Engwirda naar Den Haag, kwam nu in vaste dienst bij de SD en werd daarna doorgestuurd naar Berlijn voor een vervolgopleiding als geheim agent om te kunnen opereren achter vijandelijke linies. Het was een soort van commando-opleiding met naast zware conditietraining en instructie in sabotagemethoden ook radiotechniek.
Terug in Den Haag kreeg hij een valse identiteit (“Tony Yester”) en werd ingezet bij een SD-onderzoek dat hij – willens en wetens? – verprutste. Maar in Nederland kon hij als V-man niet meer werken. De Duitsers wisten dat hij te bekend was geraakt in verzetskringen om nog als infiltrant ingezet te kunnen worden. Voorjaar 1944 werd André Engwirda overgeplaatst naar Wenen en in de zomer verbleef hij in Zagreb, hoofdstad van de fascistische vazalstaat Kroatië. Hierna vertrok hij naar Mostar zogenaamd als arbeider in dienst van de Organisation Todt, de nazi-arbeidsdienst die werkte voor de Duitse overheid.
In juli kreeg zijn vrouw nog een brief van André. Dit was zijn laatste levensteken. Hierna verdween Engwirda uit beeld, zijn familie in Zuid-Limburg in het ongewisse achterlatend.
Na de oorlog kwam Leendert van Hardeveld langs bij Andrés’ familie.
Hij had gedwongen bij de Organisation Todt gewerkt en vertelde dat hij samen met André Engwirda was overgelopen naar de communistische partizanen van maarschalk Tito, maar na een paar weken was hij André uit het oog verloren. Enig levensteken van André Engwirda zelf bleef echter uit.
Na onderzoek door de politie werd André Engwirda in 1950 door de Arrondissementsrechtbank in Maastricht bij verstek tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens verregaande collaboratie met de Duitse bezetter.
In 1952 verschenen in diverse kranten plots berichten over de laatste levensdagen van André Engwirda.
Dinsdag 8 januari 1952 - “Limburgsch Dagblad” – voorpagina:
Joegoslavisch blad beweert: Maastrichtse kellner wilde in 1944 Tito vermoorden – Oud C.P.N.-lid door S.S. gebruikt?
Belgrado, 6 Jan. – (A.P.) –
Een Joegoslavische publicatie, ,,dertig dagen” onthult, dat in 1944 de Duitse S.S. een poging heeft gedaan om Maarschalk Tito te vermoorden en daarbij gebruik gemaakt heeft van de diensten van een Nederlander Andreas Engvird. Hij wist Joegoslavische partisanen te bewegen, hem naar het hoofdkwartier van Tito op het eiland Vis te sturen. Daar werd hij echter gearresteerd voordat hij in de nabijheid van Tito kon komen. ( .... )
Het plan Tito te vermoorden was bekend als het ,,Theodor-plan” en werd ontworpen door S.S. hauptsturmführer Mandl op een bijeenkomst in 1944 van S.S.-leiders te Wenen. Engvird zou zijn gekozen omdat hij lid van de communistische partij Nederland zou zijn geweest.
Engvird werd door de S.S. naar Mostar gestuurd, ( .... )
Hij drong door op door de partisanen bezet gebied en vertelde de Joegoslaven dat hij zich bij hen wilde aansluiten om te strijden tegen de onderdrukkers van ’t Nederlandse en andere volken. Met zijn communistische staat van dienst waaronder deelneming aan de Spaanse burgeroorlog in een internationale brigade, werd Engvird eerst door de partisanen aanvaard. Hij vertelde hun, dat hij zich bij de Duitsers had aangesloten om inlichtingen voor de partisanen te verzamelen. Doch die kon hij slechts aan de voornaamste militaire leiders mededelen.
Deze inlichtingen waren door Mandl in elkaar gezet. Ze waren van zo indrukwekkende betekenis dat Engvird in September naar Vis werd gezonden. Daar had Tito zijn hoofdkwartier, nadat zijn hoofdkwartier bij Drvar door bommenwerpers was verwoest. ( .... )
Engvird bereikte Vis op 27 September en bevond zich op slechts enkele honderden meters van Tito toen hij werd gearresteerd. Het artikel vertelt niet wat er met Engvird gebeurd is. Waarschijnlijk is hij gefusilleerd. Toch blijft de vraag: was André Engwirda geheel met huid en haar in de zaak van het Duitse nationaalsocialisme gaan geloven en echt van plan om Tito te vermoorden? Of was hij toch uiteindelijk uit overtuiging overgelopen naar de Joegoslavische partizanen? Vooral het kader daarvan had in de Spaanse Burgeroorlog gevochten, voornamelijk in de XIIIde Internationale Brigade. Maar de Joegoslaven waren achterdochtig. Ze konden een link leggen tussen André Engwirda en een lokale Gestapo-agent. Nadat ze deze te pakken en aan het praten hadden gekregen was André Engwirda’s lot bezegeld.
NB
Deze biografie is voor wat de kinderjaren en de periode Tweede Wereldoorlog betreft goeddeels gebaseerd op het boek van:
Zoran Bogdanovic, Erik Schaap en Evert de Vos:
“De Man die Tito ging vermoorden” - Alfabet Uitgevers, 2025
Hierin wordt dieper ingegaan op het persoonlijke leven van André Engwirda, de omstandigheden in Friesland en vooral Zuid-Limburg en de Duitse bezetting.
- Historisch Centrum Limburg – Burgerlijke stand in Limburg, Maastricht
- Archief Internationale Brigades, Moskou
- RGASPI F.545-Op.1-D.61-Ll.5-136
- RGASPI F.545-Op.2-D.109-L.27
- RGASPI F.545-Op.3-D.69-L.220
- RGASPI F.545-Op.3-D.87-L.41
- RGASPI F.545-Op.6-D.25-L.60
- RGASPI F.545-Op.6-D.400-L.7
- RGASPI F.545-Op.6-D.403-Ll.2,5,18-19
- RGASPI F.545-Op.6-D.404-L.20
- Hugh Thomas, The Spanish Civil War – London 2003
- Antony Beevor, The Battle for Spain. The Spanish Civil War 1936-1939 - London 2006
- Giles Tremlett, The International Brigades. Fascism, Freedom and the Spanish Civil War – London 2020
- Max Schafer e.a., Spanien 1936 bis 1939. Erinnerungen von Interbrigadisten aus der BRD - Frankfurt am Main 1976
- - Hubert Ramm, Bei der “Elften”
- - Hubert Ramm, Bei Falset und der Übergang über den Ebro
- De Telegraaf – Maandag 28-11-1938 – pag.3
- https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:110579033:mpeg21:a088
- Nationaal Archief, Den Haag toegangsnr. 2.09.45 Ministerie van Justitie – Rijksvreemdelingendienst (RVD) en Taakvoorgangers – inv.nr. 1569
- Hansje Galesloot en Susan Legêne, Partij in Verzet. De CPN in de Tweede Wereldoorlog – Amsterdam 1986
- De CPN en de Illegaliteit, Hoofdstuk X
- A.P.M.Cammaert, Het Verborgen Front. Geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog – Leeuwarden 1994
- Nationaal Archief, Den Haag toegangsnr. 2.04.125 Ministerie van Binnenlandse Zaken – Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en voorgangers – Persoonsdossiers inv.nr. 25712
- NIOD, Amsterdam – Archief 77 – General Kommissariat für das Sicherheitswesen Höhere SS- und Polizeiführer – inv.nr. 1591
- Nationaal Archief, Den Haag toegangsnr. 2.09.09 Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) inv.nr. 73501
- Limburgsch Dagblad – Dinsdag 08-01-1952 – Voorpagina
- https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010417072:mpeg21:a0009
