FAVIER, Arie

Arie Lambertus
Favier
Geboren:
Rotterdam
30 april 1915
Levensbeschrijving: 

Arie Favier groeide op in een gereformeerd Christelijk gezin. Omdat Arie zelf al op vroege leeftijd linkse ideeën had kwam hij nogal eens in conflict met zijn vader. Dit zorgde ervoor dat Arie op 14-jarige leeftijd uit huis werd gezet. Via zijn oom kreeg hij een baantje bij een diamantenslijperij als schijvenschuurder. Arie heeft hier van zijn 14e tot zijn 17e gewerkt en verdiende in 1932 60 gulden per week, erg veel geld voor die tijd. Toen hij in 1932 door de effecten van de Krach ontslagen werd, besloot hij zijn gymnasium af te maken, de talenkennis die hij hier opdeed zou hem later van pas komen. Achtereenvolgens werd hij lid van de sociaal democratische jongerenorganisatie ´de Rode Valken´ en de ´Internationale Rode Hulp´. Als lid van de Rode Hulp werd Arie ingezet om Duitse vluchtelingen de grens over te smokkelen, waarbij hij voornamelijk de plekken aanwees waar de vluchtelingen veilig de grens over konden. Omdat hij soms weken of maanden achtereen in Duitsland was werd hij geconfronteerd met de situatie van Joden en politiek ongewensten. Hoewel Arie eigenlijk pacifist was deed dit hem besluiten om naar Spanje af te reizen.

Arie is in Oktober 1936 naar Spanje vertrokken. In tegenstelling tot vele andere vrijwilligers was Arie geen lid van een politieke partij en had hij geen connecties in Spanje. Nadat hij met de trein vanuit Amsterdam, via Parijs, bij Perpignan de grens over was gegaan besloot hij naar het kantoor van de socialistische partij in Barcelona te gaan. Het duurde vervolgens nog een maand voordat ze hem indeelden in de Spaanse 166e brigade. Pas na een paar maanden kreeg hij een geweer en werd hij ingezet aan de fronten bij Teruel en Jarama. Dienst aan het front was aanvankelijk lastig voor Arie omdat hij geheelonthouder was. Het water aan het front kon je echter niet drinken en de soldaten leefden op wijn en cognac. Arie moest dus wel alchohol drinken. Omdat hij op een gegeven moment last kreeg van zijn longen, en ze dachten dat hij een vlekje op zijn longen had, werd hij naar het ziekenhuis gestuurd. Later, toen Arie in Nederland terugkwam, bleek dit geen tuberculose vlekje te zijn maar een stukje granaatscherf uit zijn tijd bij Jarama. Hij is rond maart 1937 naar Parijs gegaan om op te knappen. Tijdens zijn tijd in Parijs heeft Arie meegeholpen met het ondervragen van nieuwe vrijwilligers voor de Internationale Brigades om vast te stellen of ze geschikt waren voor dienst. Hoewel Arie geen communist was werd hij betrouwbaar geacht, en door zijn goede talenkennis konden ze hem goed gebruiken. Hij ging ook dikwijls mee met de nieuwe vrijwilligers als gids, waarbij hij hen in Perpignan of Arles hielp zich voor te bereiden voor de tocht over de Pyreneeën.

In november 1937 keert Arie weer terug naar Spanje om zich aan te sluiten bij de Thälmann brigade. Met deze brigade lag hij bij het front in Madrid voordat ze in April 1938 naar het front bij de Ebro gestuurd werden om de opmars van Franco te stoppen. Tijdens het republikeinse offensief bij de Ebro in de zomer van 1938 trok Arie met de Thälmann brigade de rivier de Ebro over. Bij het dorpje Corbera d’Ebre werd hij in zijn schouder en long getroffen. Omdat het republikeinse leger aan het terugtrekken was moest hij in 2 dagen 80 kilometer te voet afleggen voor hij met een ambulance vervoerd kon worden. Hij werd naar Mataro' gebracht waar hij, bij gebrek aan verdoving, eerst een volledige fles rum leegdronk voordat hij aan zijn schotwonden geopereerd werd. In november 1938 werd hij met de rest van de Internationale Brigades naar huis gestuurd.

In 1939 werd Arie opgroepen voor het Nederlandse leger en tijdens de inval van het Duitse leger in mei 1940 raakte hij weer gewond. Hij kreeg een kogel door zijn rechterhand, schouder en zijn long. Hij is toen door de Duitse bezetters eerst naar een hospitaal in Burgau gestuurd, vervolgens naar een hospitaal in München om daarna in een krijgsgevangenenkamp vlakbij München terecht te komen. Later datzelfde jaar werd Arie gerepatrieerd. Omdat de Duitsers via de vreemdelingendienst van zijn politieke achtergrond wisten moest hij vanaf januari 1941 onderduiken. In 1942 is hij de illegaliteit ingegaan en heeft toen onder andere boodschappen overgebracht en bonkaartjes weggebracht. Toen het verzet later wapens kreeg heeft hij hier ook instructie gegeven. In 1947 kreeg Arie zijn nationaliteit terug.

Na de oorlog heeft Arie gewerkt bij de A.V.O., dit stond aanvankelijk voor Arbeid voor Onvolwaardigen, later voor Arbeid voor Oorlogsinvaliden en uiteindelijk voor Actio Vincet Omnia (Arbeid overwint alles). Bij deze organisatie is Arie opgeklommen van bureau-ambtenaar tot directeur.

Bronnen: 
  • Interviews door Frans Groot en Rik Vuurmans op 21-2-1985 en op 11-4-1985, IISG, collectie Nederlandse deelnemers aan de Spaanse Burgeroorlog, 37
  • Noord-Hollands Archief, nummer toegang 307, inv.nrs 160,161 - Parket van de Procureur-Generaal te Amsterdam 1930-1939
  • Handelingen der Staten generaal 1946-1947, Bijlage 479
  • Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.36-L.99
  • Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.404-Ll.21,23,81
Auteur: 
Tim Scheffe
Laatst gewijzigd: 
12-11-2018
Overige gegevens
Sekse: 
man
Beroep: 
Varietéartiest, Kapper
Overtuiging: 
Communist
Adres: 
Spuistraat 125
Woonplaats: 
Amsterdam
Datum vertrek Nederland/aankomst Spanje: 
00-10-1936
Datum terugkeer: 
15-12-1938
Gewond: 
ja
Nederlanderschap afgenomen: 
ja
Nederlanderschap teruggegeven: 
06-06-1947
Vader: 
Lambertus Favier
Beroep vader: 
Barbier
Moeder: 
Elizabeth Verbeek