HAMELINK, Pieter

Pieter
Hamelink
Geboren:
Amsterdam
25 april 1907
Overleden:
Amsterdam
29 mei 1972
Levensbeschrijving: 

Pieter Hamelink stamde uit een revolutionair Amsterdams milieu. Zijn vader Krijn sr. was als opperman werkzaam in de bouw. In de in 1939 door de Centrale Inlichtingendienst (CID) opgestelde lijst van links-extremistische personen wordt hij genoemd als bestuurder van het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond (NSV). Zijn moeder Trijntje Wobma was huishoudelijke hulp bij Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Na diens overlijden kreeg ze zijn stoel en stok. De stoel ging na haar dood naar het Domela Nieuwenhuis Museum in Amsterdam, maar de stok bleef in de familie. Niet als relikwie, maar als gebruiksvoorwerp: eerst gebruikte de op leeftijd gekomen Piet hem en daarna zijn zwager Jan Gulien (eveneens vermeld in de CID-lijst) en zuster Aaf. Hun zoon schonk de stok uiteindelijk aan het inmiddels in Heerenveen gevestigde Domela Nieuwenhuis Museum. Trijntje was een vrouw die voor niets en niemand bang was. In de oorlog had ze vijf joodse onderduikers in huis op haar bovenwoning in de Andoornstraat (Krijn sr. woonde al sinds 1937 niet meer bij zijn vrouw). Maar ze was ook roekeloos, en waarschijnlijk is het daaraan te wijten dat het adres verraden werd met alle gevolgen van dien. Trijn zelf belandde in de gevangenis; na een aantal maanden werd ze vrijgelaten.

Pieter werd als Pieter Wobma geboren. Pas in juli 1907 werden hij en zijn twee jaar oudere zuster Aaf door zijn ouders erkend. Vanaf dat moment heette hij dus Pieter Hamelink. Hij groeide op in Amsterdam-West, soms in kommervolle omstandigheden. Op zijn vijftiende verhuisde hij naar Noord met zijn ouders die in 1915 waren getrouwd.

Dienstweigeraar

De volgende fase in zijn leven waar iets over bekend is, is de periode van bijna negen maanden die hij in de Bijzondere Strafgevangenis in Den Haag doorbracht als dienstweigeraar – het speldje met het gebroken geweertje is een van de weinige bezittingen van hem die in de familie bewaard zijn gebleven.Piet zat vanaf medio november 1927 – hij was toen twintig - tot 30 juli 1928 in deze gevangenis. In bovengenoemde lijst van de CID uit 1939 staat hij (evenals zijn broer) vermeld als dienstweigeraar. Het feit dat hij in Spanje had gevochten, was onbekend gebleven bij de autoriteiten. Tussen de schaarse papieren die er van hem over zijn, zit een brief die hij enige dagen voor zijn vrijlating aan zijn vader schreef om zijn thuiskomst in “Mokum”, zoals hij schreef, te regelen. Hij meldt daarin o.a. dat hij bij de gevangenispoort door een paar vriendinnen wordt opgewacht, en ondertekent zijn brief met “uw Zoon en Strijdmakker”. Uit die periode is ook een collectie met tientallen ansichtkaarten bewaard gebleven die hij vanuit het land kreeg toegestuurd, met name rond de kerstperiode en voor zijn verjaardag. Elke woensdag publiceerde het anarchistische weekblad “De Vrije Socialist”  een lijst van dienstweigeraars die in de gevangenis zaten. Dit aantal schommelde tussen de 15 en 20. Hamelink stond daar onder de naam Hameling vermeld. Meestal bevatte de ansicht een enkele of een reeks van namen, soms met een kameraadschappelijke groet; een enkele keer stond er een tekst op. Werd er een van de dienstweigeraars jarig dan werd dat ook opgegeven door de krant, zodat de mensen een felicitatie konden sturen. Niet alleen in “De Vrije Socialist”, maar ook in “De Arbeider”, een vrij-socialistisch weekblad, stonden deze gegevens vermeld, zoals te lezen valt op een ansicht die hij voor zijn verjaardag in april 1928 kreeg:

“Beste Makker, Zooeven kreeg ik De Arbeider in handen en las dat je woensdag jarig bent. Ik ben woensdag ook jarig. Je zult me wel niet kennen hè ik jou ook niet hoor. Maar me verloofde logeert in hetzelfde hotel. En ben heel trots dat ook hij D.w.r is. Mop Goubitz ken je zeker ook wel. Maar me jongen heet Boelo Kaspers. Zeg als je eens een briefje over heeft pen me dan eens terug. Wil je dat doen. Boelo schrijft nooit hoe of het daar toe gaat. En dat wil ik zoo graag eens weten. Ik hoop dat je volgende verjaardag beter zal zijn dan deze. Moed houden hoor. Kameraadschappelijke groeten.”

Blijkens de tekst op andere kaarten voerde Piet met diverse mensen ook een wat uitgebreidere correspondentie, en sneed hij in zijn brieven onderwerpen aan die niet voor iedereen vertrouwde kost waren. Waarschijnlijk werkte hij toen al aan zijn politieke vorming door de lectuur van anarchistische boeken en periodieken. Dat bleef hij zijn leven lang doen. Een jaar na zijn vrijlating kreeg hij van zijn moeder voor Sinterklaas de Gedenkschriften van Domela Nieuwenhuis. En in 1938 werd hem voor zijn verjaardag de bundel Vrijheid en persoonlijkheid (1937) van N.J.C. Schermerhorn ten geschenke gedaan. Schermerhorn was een anarchistische predikant, die samen met o.a. Domela Nieuwenhuis in 1904 de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV) had opgericht.

Wanderjahre

Piet was Wandergeselle. Hier is geen Nederlands woord voor, omdat deze vorm van ambachtelijke scholing in Nederland niet meer bestaat. Maar ze bestond en bestaat nog wel in Duitsland en Frankrijk. In de hoedanigheid van Wandergeselle verwierf Piet zijn vakbekwaamheid als metselaar al rondreizend langs bouwplaatsen in Europa met troffel en voegspijker. Een dergelijke Wanderschaft kon wel drie jaar duren. Door deze vorming raakte Piet sterk op Duitsland georiënteerd. Maar hij kwam ook elders in Europa, was zelfs in Algiers, en dankzij een talenknobbel beheerste hij Engels, Frans, Duits en een beetje Italiaans. Later kwam daar Spaans bij. Verder was hij Esperantist. Hij bediende zich graag van de Esperantoversie van zijn naam: Petro. In ieder geval duurden zijn Wanderjahre tot september 1930, toen hij komende uit Genève weer op het adres van zijn ouders werd ingeschreven in het Bevolkingsregister van Amsterdam.

In de nachten direct na de onthulling in 1931 van het standbeeld van Domela Nieuwenhuis op het Haarlemmerplein in Amsterdam droeg Piet samen met zijn vader Krijn sr. zorg voor de bewaking van het monument, omdat vanuit rechts-radicale hoek was gedreigd om het op te blazen. Ze waren daarbij bewapend met een revolver. Het bezit van een vuurwapen was in de revolutionaire beweging van die dagen niet ongebruikelijk. Er bestaat een fotootje, waarschijnlijk door Piet genomen, waarop Krijn sr. met zijn onafscheidelijke hoed staat afgebeeld staande voor het standbeeld.

Over de jaren daarna is niet veel bekend. Tot 1933 woonde hij bij zijn ouders en kon hij dus makkelijk weer op reis om te werken. Of als toerist samen met vrienden, zoals hij in de omgeving rond Genève deed in 1931. In zijn familie staat hij bekend als iemand die altijd onderweg was en dan graag mensen opzocht. Om de kost te verdienen speelde hij soms mondharmonica op straat. In Amsterdam maakte hij ook deel uit van een mondharmonicasextet, hoewel hij geen noten kon lezen. 

In augustus en september 1932 maakte hij een avontuurlijke liftreis, waarvan een reisverslag bewaard is gebleven dat geschreven was door zijn reisgenoot en latere zwager Henri Joseph (Hans) van ’t Hoff. Liftend, lopend en werkend gingen ze naar Genève en Zuid-Frankrijk. Ze zochten er vrienden en kennissen van Piet op. Maar ook bezochten ze persoonlijkheden uit de anarchistische en antimilitaristische wereld. Daaruit blijkt hoe goed hij als 25-jarige jongeman op de hoogte was van wat er in de internationale anarchistische beweging speelde. Helaas vertelt het verhaal niet wat er besproken werd tijdens die bezoekjes. In Annecy gingen ze langs bij Bram de Ligt, met wie hij, te oordelen naar een van de schaarse documenten die uit zijn nalatenschap bewaard zijn gebleven, een hechte relatie opbouwde. In Saint-Tropez logeerden ze een nacht bij Emma Goldman, voorvrouw van het internationale anarchisme, en in Sainte-Maxime gingen ze eten bij de schrijver Victor Margueritte. Deze laatste was pacifist en voorvechter van vrouwenemancipatie. In 1931 had hij La Patrie Humaine gepubliceerd, een cri d’alarme gericht tegen een komende oorlog. Toen Piet en Hans hem opzochten, was hij net terug uit Amsterdam waar hij had deelgenomen aan het “Wereldcongres van alle partijen tegen de oorlog”. Tenslotte bezochten ze ook nog een Esperanto-kolonie aan de Rivièra.

In 1933 ging Piet op kamers wonen in de Jan Evertsenstraat. Na ruim een jaar verhuisde hij naar een adres in de Marco Polostraat, nog steeds op kamers. Daar vestigden zich ook op kamers zijn latere vrouw Johanna Faber en haar zuster, die later met Hans van ’t Hoff zou trouwen. Wellicht kende hij Jo al uit de Jan Evertsenstraat waar ze voordien had gewoond. Het doet allemaal erg modern aan.

Deutsche Anarchosyndikalisten im Ausland (DAS)

Bij het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog, ontspon zich in de libertaire beweging in Nederland een discussie over de vraag of anarchisten geweld mochten gebruiken voor het realiseren van de sociale revolutie. Piet stemde met zijn voeten en vertrok waarschijnlijk begin 1937 naar Spanje om er aan de strijd deel te gaan nemen. Voor iemand die qua politieke en mentale instelling wars was van het militaire bedrijf, was dat een onbesuisde beslissing, zoals we later zullen zien. Helaas is het dagboek dat hij over de oorlog heeft bijgehouden - evenals het overgrote deel van zijn papieren - verloren gegaan, zodat we over die periode alleen een paar in de familie overgeleverde verhalen kennen, en wat er in enige documenten over hem is vastgelegd. Niettemin kunnen we proberen om het gat op te vullen aan de hand van memoires van enkele medestrijders uit zijn groep, de Duitser Helmut Kirschey, de Zwitser Paul Thalmann en de Italiaan Bruno Salvadori die schreef onder de naam Antoine Gimenez. Verder staan ons enkele over de DAS verschenen studies ter beschikking. Zijn naam komen we in die boeken niet tegen, maar hij staat wel vermeld op een lijst van degenen die tot de DAS-groep behoorden en deel uitmaakten van de internationale groep van strijders in Aragón. Deze lijst met 72 namen dateert van 20 januari 1937 en staat afgedrukt in het notenapparaat van de memoires van Gimenez. De lijst is afkomstig uit het archief van de Federación Anarquista Ibérica (FAI) dat in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis wordt bewaard. Een ander document in dat archief vermeldt zijn vertrek naar het front op 21 januari vanuit de kazerne Espartaco in Barcelona. Maar last but not least: hij wordt een aantal malen genoemd in het dagboek van de Zwitserse vrijwilliger Edi Gmür!

“DAS” staat voor Deutsche Anarchosyndikalisten im Ausland. De groep bestond uit gevluchte leden van de anarcho-syndicalistische Freie Arbeiter-Union Deutschlands (FAUD). In november 1933 werd in Amsterdam de eerste DAS-groep opgericht. Andere afdelingen volgden in Stockholm, Parijs en Barcelona. In Amsterdam werkte de groep vanuit het kantoor van het Nederlandsch Syndicalistisch Vakverbond in de Commelinstraat. De NSV ondersteunde de Duitse vluchtelingen in Amsterdam financieel vanuit het Fonds Internationale Solidariteit. Tijdens een conferentie in Amsterdam in mei 1934 werd de Zentralstelle van de DAS opgericht, een soort secretariaat, gevestigd in Amsterdam, dat de contacten met de illegaliteit in Duitsland moest onderhouden en publicaties moest verzorgen. Dit secretariaat voorzag het blad van de NSV, “De Syndicalist”, van informatie over de toestand in Duitsland. We mogen aannemen dat Piet, wiens vader en “Strijdmakker” bestuurder was van de NSV, zelf ook lid was van dat vakverbond, en dat de aanwezigheid van de DAS-leden in Amsterdam hem niet onbekend was. Hij zal vanwege zijn Duitse oriëntatie grote sympathie voor hen hebben gevoeld. Het zal daarom geen toeval zijn geweest, dat hij op die eerdergenoemde lijst van DAS-miliciens stond, die overigens niet volledig was. Paul Thalmann, een Zwitserse links-socialist, en Edi Gmür, die een communistische achtergrond had, staan er ook op.

Naar Spanje

We weten niet precies wanneer Piet naar Spanje ging, maar hij was er dus in ieder geval al in januari 1937 en hij staat ook vermeld op een fiche betreffende zijn demobilisatie gedateerd 6 april 1937 die bewaard wordt in het Centro Documental de la Memoria Histórica in Salamanca. Een document in het FAI-archief maakt gewag van zijn vertrek uit Spanje op 8 april. We kunnen dus zijn verblijf in Spanje tussen januari en april 1937 situeren.

Wat vertellen Kirschey, Thalmann en Gimenez in hun mémoires over hun ervaringen in Spanje? Helmut Kirschey vertrok eind juli 1936 met drie andere DAS-leden uit Amsterdam naar Spanje. Nadien zouden nog meer uit Duitsland afkomstige leden van de FAUD die reis via Amsterdam maken. Zou Piet dezelfde weg gevolgd hebben als Kirschey beschrijft in zijn herinneringen? Het is misschien niet te gewaagd om dat aan te nemen, met dien verstande dat hij natuurlijk de grenzen niet illegaal behoefde te overschrijden, zoals de Duitse vluchtelingen, omdat hij als frequent reiziger over een paspoort beschikte. Kirschey c.s. hadden hun eerste tussenstop in Antwerpen bij de voormalige voorzitter van het NSV, Auguste Rosseau, en gingen vandaar naar het Parijse kantoor van de Internationale Arbeiders Associatie (IAA), waar het NSV bij was aangesloten. In Barcelona had de DAS een eigen lokaal in het gebouw van het grote anarcho-syndicalistische vakverbond Confederación Nacional del Trabajo (CNT) dat in de eerste maanden van de burgeroorlog in Catalonië en Aragón de dienst uitmaakte. Kirschey werd in dat lokaal opgevangen. Toen hij zich begin februari 1937 bij de milities aansloot, kreeg hij zijn uitrusting in de Bakuninkazerne: een aftands geweer, een overall (de zgn. “mono”), een paar handgranaten in de vorm van een ei die niet ongevaarlijk waren voor de werpende partij, munitie (50 patronen, volgens Thalmann), een muts, en een paar touwschoenen. Als lid van de DAS werd hij opgenomen in de Primera Compañía Internacional van de 26e Divisie die vanaf begin januari, na een periode van inzet bij gevechten elders, opnieuw gelegerd was in Pina de Ebro, aan het front bij Zaragoza in de regio Aragón. Deze 26e Divisie was de voormalige Columna Durruti, een anarchistische militie. De verandering van naam was het gevolg van de begin januari in de anarchistische gelederen doorgevoerde militarisering waartoe de centrale regering van Spanje in oktober had besloten.

Aan het front

De Internationale Groep van voornamelijk anarchistische strijders telde in oktober 1936 ongeveer 200 leden uit vele landen, maar de Fransen en Duitsers waren de twee talrijkste groepen en vormden elk met degenen die hun taal spraken een centurie, oftewel “honderdmanschap” zoals Lou Lichtveld het noemde in het verslag dat hij schreef als “embedded reporter” avant la lettre (maar mét geweer) dat in 1937 verscheen in zijn boek De sfinx van Spanje. De groep kreeg al gauw de rol van stoottroep, zoals dat ook bij de Internationale Brigades het geval was, omdat ze beschikte over mensen met meer militaire ervaring dan de Spaanse milities. In de herfst van 1936 nam de groep met wisselend succes deel aan een aantal gevechten, waarbij vooral de strijd om Perdiguera in oktober tot grote verliezen had geleid. Geleidelijk aan stagneerde het front. Oorzaak was de gebrekkige bevoorrading van de anarchistische milities door de centrale regering. Zo beschikte de sector in Pina slechts over één batterij 150 mm geschut dat in de heuvels achter het dorp stond opgesteld, had men de beschikking over slechts één machinegeweer, waren er geen tanks en had men weinig directe luchtsteun. Gimenez noteerde in juli 1937 dat er nog steeds geen één van die prachtige Russische wapens, die door de Sovjet-Unie aan de Spaanse Republiek werden geleverd, hun kant was opgekomen. Onze anarchistische strijders stonden met hun povere en verouderde bewapening tegenover goed gedrilde en veelal geharde strijders die vanuit Duitsland en Italië van het modernste wapentuig werden voorzien.

Pina de Ebro was een typisch Aragonees boerendorp van ongeveer 2000 zielen. Met de komst van de milities was in juli/augustus 1936 een boerencollectief opgericht, waaraan de militieleden meewerkten als het stil was aan het front. Thalmann en zijn vrouw, die op dezelfde DAS-lijst staan als Piet, werden bij aankomst met hun groep ingekwartierd in twee grote leegstaande boerenhuizen. Eten deed men per peloton thuis bij boerenfamilies, die door de militie werden bevoorraad. Gimenez en Kirschey vertellen dat de vrouwen van het dorp de was voor hen deden. In rustige periodes was er ook tijd voor scholing. Volgens Kirschey en Thalmann kregen ze hun militaire training ter plaatse door patrouille te lopen of door bij wijze van oefening op doelen te schieten, kregen ze les in het werpen van handgranaten en in het aanleggen van loopgraven langs de Ebro. Ten gevolge van de militarisering kwamen er volgens Gmür ook exercities op het programma te staan. Kirschey was evenals Piet antimilitarist. Zo zullen er meer zijn geweest, vanwege hun anarchistische achtergrond. Gimenez verhaalt van één Italiaanse pacifist, Scolari, die wel lid was van de militie, maar de wapens niet opvatte en zijn leven riskeerde met het weghalen van gewonden uit het schootsveld van de vijand. De politieke gedelegeerde – de anarchistische tegenhanger van de politieke commissaris bij de IB’s – was de Duitse anarchist Rudolf (“Michel”) Michaelis. Op 3 februari meldde deze aan de Oficina de Propaganda Exterior van de FAI dat de DAS 104 strijders in Pina de Ebro had, onder wie vier Nederlanders. Overigens was lang niet iedereen in de gelederen van de DAS anarchist. Er waren 16 nationaliteiten, de Duitsers vormden de grootste groep.

De miliciens verdienden 10 peseta’s per week, die ze alleen tijdens hun verlof in de stad konden besteden. Ze kregen een week verlof per drie maanden. In Barcelona beschikte de DAS-groep over twee van nazi’s geconfisqueerde villa’s, waar de leden van de groep konden eten en slapen tijdens hun verlof. De groep had ook een restaurant, de Suppenschmiede genaamd. Piet was te kort aan het front om van een dergelijk verlof gebruik te kunnen maken, maar voor en na die periode verbleef hij wel in Barcelona. Daar overkwam hem een verschrikkelijke ervaring. Terwijl hij op straat liep, werd hij overvallen door een luchtbombardement. Iedereen rende naar de dichtstbijzijnde schuilgelegenheid. Hij nam een klein meisje op de schouders om haar te helpen zo gauw mogelijk in veiligheid te komen. Toen ze op een veilige plek waren aangekomen, bleek het kind dood. Een granaatscherf had haar getroffen. Zo had ze hem in feite het leven gered. Dit is het enige wat in de familie bekend is over zijn verblijf in Spanje.

Onder de buitenlandse anarchisten leidde de militarisering die in januari 1937 was doorgevoerd natuurlijk tot heftige debatten, en ook tot daadwerkelijk verzet. Bij de Fransen en Spanjaarden telde men meer tegenstanders dan bij de Duitstalige groep. Wel wist de internationale groep af te dwingen dat ze hun directe officieren zelf mochten blijven kiezen. Hoewel de motivatie om te vechten onder de vrijwilligers groot was, tastte de situatie aan het front het moreel aan: gebrek aan wapens, stagnerend front, alleen maar eindeloos wachtlopen, en naast de discussies over de militarisering kwam nog die over de politieke koers van de Spaanse anarchistische beweging die aan de regering was gaan deelnemen en volgens veel buitenlandse critici te zeer aan de eisen van de communisten tegemoet kwam.

Het dagboek van Edi Gmür

Zoals gezegd wordt Piets naam een aantal keren vermeld in het dagboek van Edi Gmür dat van 14 mei tot 18 juni 1938 als feuilleton werd gepubliceerd in de zaterdagbijlage van de “Tages-Anzeiger für Stadt und Kanton Zürich”. In 2006 verscheen er een Franse vertaling van. Gmür was communistisch sympathisant, maar wilde aan de zijde van de Spanjaarden strijden en niet bij de Internationale Brigades. Via via kwam hij in contact met de DAS waar hij werd ingedeeld; we schrijven eind december 1936/ begin januari 1937. Ook hij is gelegerd in Pina de Ebro. Op 24 januari meldt hij de komst van een nieuwe groep waaronder enige Hollanders. Daar Piet op de lijst van 20 januari staat, mogen we aannemen dat hij van die groep deel uitmaakte. Op 4 februari wordt hij ingedeeld bij het “Zwitserse” peloton van Gmür: “(…) ein langer Holländer namens Pitt”. In januari en februari stagneert het front, de dagen worden gevuld met militaire exercities, theorie, marsen, patrouille lopen en politieke discussies. En de compagnie, 160 man sterk, kiest een nieuwe commandant, de Franse beroepsmilitair Cardeur. De compagnie heeft ook een orkest en Piet treedt op in de bomvolle dorpskerk: “Pitt gab heute in der Kirche ein Konzert auf der Handharmonika”. Luid applaus was zijn deel. Hij speelt erg goed, schrijft Gmür, maar loopt niettemin een blauwtje op bij de mooie Conchita.

De 18e maart komt de compagnie dan eindelijk in actie: men rukt op in de richting van Villafranca, Elke man heeft 200 patronen en 12 handgranaten. Het regeringsleger bezet nu posities op 20 km van Zaragoza, men graaft zich in, vliegtuigen en artillerie bombarderen over en weer, slechts 50 m scheiden de vijandelijke linies. Maar van een beslissende aanval komt het niet. Het is koud en nat, zonder enige beschutting tegen de elementen houdt men de wacht, slaapt in loopgraven die onder water zijn gelopen. De aflossing laat op zich wachten. De mannen raken uitgeput, er zijn zieken. Op 21 maart gaat Gmür samen met o.a. Piet in het niemandsland boomstammen zoeken om de loopgraven te versterken. Ze worden ontdekt en komen onder artillerievuur te liggen. Piet overleeft op het nippertje als een granaat vlak bij hem ontploft. Pas na 10 dagen worden ze afgelost. Terug in Pina laat Piet aan Gmür blijken dat hij blij is met enige dagen verlof. Kennelijk is het hem teveel geworden, want op de 6e  april noteert Gmür: “Pitt will weggehen. Begründung: Er habe Angst vor dem Krieg. Bravo Pitt! Bist ehrlich”.

Demobilisatie

In het Centro Documental de la Memoria Histórica in Salamanca wordt een dossier bewaard dat op naam is gesteld van Peter Hanelink en dat afkomstig is uit het Casa de los Voluntarios in Barcelona dat vanaf februari 1937 de controle over de buitenlanders in de van oorsprong anarchistische troepen uitoefende. Op documenten gedateerd tussen 5 en 7 april 1937 in Osera (waar het hoofdkwartier van de 26e Divisie was gevestigd) en Barcelona staat vermeld dat Peter Hanelink op 22 januari 1937 naar het front is vertrokken en per 6 april vrijwillig vertrekt om in Nederland op verzoek van zijn organisatie propaganda te gaan voeren en informatie te verschaffen over de oorlog in Spanje. Op 7 april is hij al in Barcelona en volgens een brief uit Barcelona aan Michaelis zou hij de volgende dag naar huis vertrekken.

Vijf dagen later startte een groot offensief van 5000 man bij de zogenoemde kapel van Santa Quiteria in de buurt van het plaatsje Tardienta, waar ook de internationale compagnie aan deelnam. Doel was om de spoorwegverbinding tussen Huesca en Zaragoza af te snijden. De strijd verliep rampzalig ondanks het aanvankelijke verrassingseffect: ongeveer de helft van de compagnie sneuvelde of werd gewond. Van de 5000 man in totaal sneuvelden er 1000, en er waren bijna 3000 gewonden. De vijand zette 14 vliegtuigen en geschut in, aan Republikeinse zijde bleef de luchtvloot van 21 vliegtuigen, onder commando van de communisten, aanvankelijk aan de grond, en toen ze werd ingezet, bombardeerde ze de bossen waar de eigen troepen zaten en niet de open vlakte waar de vijand zich ophield. Vervolgens verspreidde zich het gerucht dat hier sprake was van sabotage met het doel om de anarchisten klein te krijgen.

Op 18 april werd wat er resteerde van de gedemoraliseerde internationale compagnie naar Barcelona gestuurd voor verlof en om nieuwe rekruten te werven onder de buitenlanders in de stad. Ze zijn daar nog wanneer de mei-onlusten uitbreken als gevolg van een machtsgreep van de Communistische Partij. Een aantal dagen duren de barricadegevechten die uitlopen op een politieke nederlaag voor de anarchisten. Onmiddellijk daarop begint er een grootscheepse repressie van anarchisten en dissidente communisten. Daarbij heeft de politie en de NKVD het met name gemunt op leden van de DAS. Hier zat de KPD-vertegenwoordiging in Barcelona achter die het niet kon verkroppen dat de DAS het onder de paraplu van de CNT in Barcelona zo lang voor het zeggen had gehad onder Duitse vluchtelingen van allerlei pluimage. Bij het restaurant van de DAS, de Suppenschmiede, werd een val opgezet door de politie en werd de gehele klandizie ingerekend. Kirschey en Michaelis, de politiek gedelegeerde, trof een eender lot. Zij zaten 11 maanden vast. De CNT deed aanvankelijk niets voor de gevangenen; de relaties tussen de CNT en de internationale anarchistische beweging waren verslechterd door de kritiek die in de IAA werd geleverd op het door de CNT gevoerde beleid.

Voor velen was de lol er af: men liep in Spanje gevaar in het cachot te belanden in plaats van voor de revolutie te strijden, die overigens verloren was nu de anarchisten zo in het nauw waren gebracht. Ten bewijze daarvan kwamen de troepen van generaal Líster drie maanden later in Aragón een einde maken aan de landbouwcollectivisaties.

Terug in Nederland

Piet ontsprong de dans dus in diverse opzichten. We weten niet wat hij achteraf allemaal van deze gebeurtenissen heeft vernomen. We weten wel - want dat wordt in de familie overgeleverd - dat hij bij thuiskomst een zesde K had toegevoegd aan de vijf waar hij al een hekel aan had: Kapitaal, Kerk, Koning, Kroeg en Kazerne. De zesde was de K van Kommunisme. Op 11 juni 1937 komt hij weer in beeld, als hij zich in Amsterdam op een adres in de Wilhelminastaat laat inschrijven waar hij op kamers gaat wonen. Zijn Nederlanderschap had hij behouden. Aan de grens had hij de douane zijn troffel laten zien, en op de mouw gespeld dat hij uit werken was geweest in het buitenland. Drie maanden later, op 11 september, vestigde hij zich als hoofdbewoner in de Aert van Nesstraat, 7-I. Zijn vriendin Johanna Faber trok dezelfde dag bij hem in. Op 29 september trouwden ze.

In zijn familie heeft hij nooit veel over zijn ervaringen in Spanje gezegd. Het moest geheim blijven in welke hoedanigheid hij daar was geweest, wilde hij zijn Nederlanderschap niet verliezen. Later heeft hij wel met zijn schoonzoon gesproken over de verschrikkingen die hij had meegemaakt, maar dit is nooit doorverteld. Blijkens één getuigenis vertelde hij in de vertrouwde kring van vrienden kort na terugkeer echter wel over zijn ervaringen.

Kort na het begin van de bezetting heeft hij papieren en eventuele foto’s die konden wijzen op zijn verblijf in Spanje vernietigd, zoals zo veel oud-Spanjestrijders dat toen hebben gedaan. Hij had in Spanje nooit op groepsfoto’s willen staan en zei achteraf hoe blij hij over die keuze was geweest; diverse kameraden die dat wel hadden gedaan, waren tijdens de oorlog opgepakt door de bezetter.

In augustus 1937 kocht hij het boek De sfinx van Spanje van Lou Lichtveld – de datum staat in het boek genoteerd. Hij liet het mooi binden met een harde kaft in de rood-zwarte kleuren van het anarcho-syndicalisme. Bij de passages die hem troffen zette hij potloodstreepjes. Lichtveld was bij het uitbreken van de Burgeroorlog al een paar jaar woonachtig in een voorstad van Barcelona, en identificeerde zich sterk met de sociale strijd van de anarchisten. Zijn biograaf Michiel van Kempen tekende op dat hij zich “anarcho-socialist” noemde. Wellicht was deze gezindheid terug te voeren op een ervaring die hij beschreef in zijn jeugdherinneringen uit Suriname, Zuid-zuid-west. Hij vertelt daar dat hij met zijn vader in het binnenland getuige was van de wijze waarop inheemse jagers de buit van de dag verdeelden: als je ooit over het communisme hoort spreken, zo had zijn vader toen gezegd, dan is dit wat er bedoeld wordt.

Heeft Piet in Spanje contact gehad met Lichtveld die bij hem, te oordelen naar de wijze waarop hij het boek behandelde, in hoog aanzien stond? We weten dat hij graag gelijkgezinde persoonlijkheden opzocht. Helaas, ook hier loopt het spoor dood. De uitgebreide correspondentie die hij later met vele personen voerde, is na zijn overlijden verloren gegaan, en in het archief van Lichtveld komt hij niet voor. Na de oorlog kocht hij nog diens Teutonenspiegel, het onverholen anti-Duitse boek dat Lichtveld schreef onder invloed van een Duitse vriendin die in Barcelona deel uitmaakte van de Duitse vluchtelingengemeenschap.

De bezetting bracht nieuwe beproevingen. Piet en zijn twee broers werden opgeroepen voor dwangarbeid in Duitsland. Wellicht was de reden daarvoor dat vader Krijn en zijn zoons Krijn en Piet op de in 1939 door de CID opgestelde lijst van links-extremistische personen stonden, die misschien niet helemaal toevallig in het bezit van de bezetter was geraakt. Krijn jr. ontsnapte en doorkruiste daarbij aan de Nederlandse grens nietsvermoedend een mijnenveld. Volgens zijn weduwe kregen ze achteraf uit Duitsland een rekening voor de verblijfskosten. Piet ontsnapte ook, maar werd gepakt en opnieuw te werk gesteld. Later heeft hij tijdens een verlof overwogen om onder te duiken, maar deed dat uiteindelijk niet, omdat hij zijn vrouw niet in gevaar wilde brengen. Hij beleefde in Berlijn de bombardementen met brandbommen, kreeg pleuritis, en werd in en na de oorlog bij een Duitse familie verzorgd. “Muti”, zoals hij de vrouw des huizes noemde, heeft hij na de oorlog nog een paar keer opgezocht. Met zijn zwager Van ’t Hoff trok hij na de oorlog naar Zwitserland om er gedurende een aantal maanden te werken. Ook heeft hij in die periode in Zeeland gewerkt. Eens in de twee weken kwam hij dan thuis. Toen, in die naoorlogse jaren, werden zijn kinderen Jim en Gonnie geboren.

Piet bleef actief in de arbeidersbeweging en kocht elke week bij Bertus Zuurbier op het Haarlemmerplein “De Vrije Socialist”. In die jaren was hij ook bevriend met Jef Last. Een keer ontmoette hij in de stad twee Wandergesellen die hij mee naar huis nam. Vanaf 1957 was dat in de Spaarndammerbuurt. 

Op 29 mei 1972, een dag voordat hij een pacemaker zou krijgen, overleed Piet in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam.

In zijn nalatenschap bevindt zich een handgeschreven citaat van Karl Kraus, op briefpapier van de Landelijke Syndicalistische Federatie van Bouwvakarbeiders:

“Die Welt geht unter, und man wird es nicht wissen. Alles was gestern war, wird man vergessen haben; was heute ist, nicht sehen; was morgen kommt nicht fürchten. Man wird vergessen haben, dass man den Krieg verloren, vergessen haben, dass man ihn begonnen, vergessen, dass man ihn gefürcht hat. Darum wird es nicht aufhören.” 

Bronnen: 
  • Interview met Roy en Nico van Liempt, Jim Hamelink, Jan Gulien jr. (Purmerend, 26.3.2016).
  • Interview met J. Hamelink - van Ast (Amsterdam, 22.5.2016).
  • Getuigenis A. Troostwijk (St.-Pancras, 12.4.2016).
  • E-mailcorrespondentie met Roy van Liempt, Jim Hamelink, Édouard Sill, Michiel van Kempen.
  • Bevolkingsregister van Amsterdam (Met dank aan Hans Jansen, Alkmaar).
  • http://resources.huygens.knaw.nl/pdf/cid/2200-2299/2232.pdf - Door de CID opgestelde lijst van links-extremistische personen geordend per gemeente, met alfabetische klapper, 1939.
  • Centro Documental de la Memoria Histórica  (Salamanca), fiche PS-Madrid 487 “Peter Hanelink”. (Met dank aan Édouard Sill, Parijs).
  • IISG (Amsterdam), film “Paquete 1 A1-A3” (Oficina de Propaganda Exterior de la FAI).
  • De Vrije Socialist : sociaal-anarchistisch orgaan, 1927-8.
  • Berg, H. van den, Nelles, D. “Nationalismus oder Kultur. Über die Kulturpolitischen Vorstellungen in der anarchosyndikalistischen Exilpublizistik in den Niederlanden (1933-1940)”, in: Würzner, H., Kröhnke, K. (hrsg.) Deutsche Literatur im Exil in den Niederlanden 1933-1940, pp. 119-135. Amsterdam/Atlanta GA, 1994.
  • Gimenez, A. Les fils de la nuit. Souvenirs de la guerre d’Espagne (juillet 1936-février 1939) suivi de À la recherche des fils de la nuit par les Giménologues. Montreuil/Marseille, L’Insomniaque & Les Giménologues, 2006.
  • Gmür, E. “Journal d’Espagne” in: Minnig, A., Gmür, E. Pour le bien de la révolution, pp. 63-135. Lausanne, CIRA, 2006.
  • Gmür, Edi, «Als Freiwilliger an der spanischen Front. Kriegstagebuch eines schweizerischen Spanienfahrers » in: Tages-Anzeiger für Stadt und Kanton Zürich, 14 mei 1938 tot 18 juni 1938
  • (Met dank aan Marianne Enckell, Lausanne).
  • Kirschey, H. A las barricadas.  Erinnerungen und Einsichten eines Antifaschisten. Bocholt/Bredevoort, Achterland Verlagscompagnie, 2000.
  • Nelles, D. e.a. Deutsche AntifaschistInnen in Barcelona (1933-1939). Die Gruppe “Deutsche Anarchosyndikalisten” (DAS). Heidelberg, Verlag Graswurzelrevolution, 2013.
  • Schröder, F. “’…alles war schwarz/rot’. Als Zensor und CNT/FAI-Infodienst-Herausgeber in Barcelona”, in: Degen, H.-J., Ahrens, H. ‘Wir sind es leid die Ketten zu tragen…’. Antifaschisten im Spanischen Bürgerkrieg. Berlijn, Verlag Eduard Jakobsohn, 1979.
  • Thalmann, P. Wo die Freiheit stirbt. Stationen eines politischen Kampfes. Olten/Freiburg im Breisgau, Walter-Verlag, 1974.

 

Auteur: 
Kees Rodenburg, met dank aan de familie Hamelink
Laatst gewijzigd: 
10-11-2017
Overige gegevens
Sekse: 
man
Beroep: 
Metselaar
Overtuiging: 
Anarcho-syndicalist
Adres: 
Brederodestr. 35
Woonplaats: 
Amsterdam
Datum terugkeer: 
08-04-1937
Vader: 
Krijn Hamelink
Beroep vader: 
Opperman
Moeder: 
Trijntje Wobma
Datum getrouwd: 
29-09-1937
Partner: 
Johanna Berdina Faber
Kinderen: 
2