GUNTHER, Frits

Frederik Hendrik
Gunther
Geboren:
Amsterdam
29 mei 1912
Overleden:
Amsterdam
24 juli 1987
Levensbeschrijving: 

“Een felle Amsterdammer. Voor en na de oorlog was hij kantoorbediende. ‘Als ik aan mijn Spaanse tijd denk, dan overheerst het gevoel dat ik ga huilen.’.”

Zo opent het interview dat de journalist Martin Schouten met hem maakte en dat werd afgedrukt in “Voor de oorlog. Herinneringen aan de jaren ‘30”.Het is voor zover bekend ook het enige dat Gunther heeft nagelaten. Zijn twee oudste zonen gaf hij weliswaar namen mee die alles te maken hadden met de Spaanse Burgeroorlog maar over zijn tijd in Spanje heeft hij ze nauwelijks iets verteld. Voluntario (vrijwilliger) en Pasaremo (we zullen er door komen) noemde hij ze – en het mag al verbazing wekken dat die namen bij de Burgerlijke Stand geaccepteerd werden.

Frits Gunther vertrok in 1937 naar Spanje.

“Ik had nog het stomme idee dat je naar het Spaanse consulaat kon stappen en zeggen, hier ben ik, ik wil soldaat worden. Daar was ik fout mee natuurlijk want de offciele Spaanse regering heeft zich niet ingelaten met het oproepen van mensen om bij de strijd te helpen. Het was leuk van mijn bedoeling maar ze konden me zelfs geen tip geven en ik zou mijn weg toch wel vinden.Ik was lid van de CPN en op een Spanje-avond kreeg ik zo’n tip: als je dan toch wil moet je Jef Last vragen.”

Last is dan nog lid van de Communistische Partij maar zal later in ongenade vallen.

“Jef Last gaf me een adres in Parijs. Nou, binnen een week waren we in het zuiden. Die transporten gingen niet gewoon over de grens, dat kon niet, alles was afgesloten. We gingen met groepen door de Pyreneeën via smokkelweggetjes en de leiding hadden beroepssmokkelaars, zoals die er nog zitten. Alle groepen die door de Pyreneeën gingen, werden opgevangen in Figueras. Daarvandaan gingen de Fransen naar een bepaalde plaats en de Hollanders, Belgen en Duitsers werden op een hoop gegooid en die gingen naar Albacete. Daar werd je dan eigenlijk goed ingedeeld als soldaat voor de Internationale Brigade.”

Frits had een paar jaar HBS gedaan, sprak Frans en vertaalde de commando’s van Franse officieren. Als de meeste Hollandse jongens keek hij zijn ogen uit naar wat hij de ‘kadaverdiscipline’ van de Duitsers noemt.

“De weerklank daarvan was dat we er nog een beetje meer tegenaan gingen zitten, van: nou, niet zo gek doen als die. We maakten er een rotzooitje van. Maar als het er nou werkelijk om ging om te laten zien wie er wat kon, dan kwam er weer zoveel strijdlust bij de Hollanders, dan stonden ze te kijken. Dat zeg ik niet omdat ik zo nationalistisch ben, maar ergens is het toch wel mijn chauvinisme. Ook mijn chauvinisme is het dat die Hollanders bij tientallen de bak in werden gegooid. De groetplicht hebben de Holanders daar lekker doorbroken. Want als je een officier tegenkwam, waar dan ook, dan moest je hem groeten. We verdomden het en eerst was het: allemaal de lik in. Maar dat betekende wel dat je vrij van dienst was die dag – het was voor 24 uur – en aangezien je de pest had aan die oefeningen waar je het nut niet van inzag, dan was dat niet zo gek.”

Gunther werd te werk gesteld bij de foerage en dat beviel hem maar matig.

“Ik heb ettelijke groepen jongens naar het front zien afvoeren, terwijl ik vastgehouden werd omdat ik zo goed voldeed als foerier. En als een jongen moeilijkheden had – wat denk je – zo’n Jordaner die ruzie kreeg met een Fransman: ze hoorden wel dat hij vloekte, maar het kwam er niet uit wat hij wilde zeggen. En als je je een paar keer met jongens bemoeid hebt die moeilijkheden hadden ..Niet dat ik zeg: ik beheers de talen allemaal goed, maar ik kan me nog steeds heel lekker roeren er in. En dan krijg je het: je maakt de jongens in de opleiding een paar weken mee en elke keer maar weer – pfft, weg. Ze lieten me niet gaan. Een keer toen er weer een groep was vastgesteld waarmee ik zo’n fijn contact had, met die jongens, en ik  s’ morgens vroeg die open vrachtwagen gedag moest zeggen waar die jongens allemaal op gekropen waren, toen ben ik er ook op gesprongen, zomaar. Je kunt je wel voorstellen wat een gelazer ik daar mee gehad heb. Ik moest me voor het front verantwoorden als deserteur. Ik was gedeserteerd van mijn post, wel naar het front maar ik was gedeserteerd.”

De desertie loopt voor Gunther goed af. In het in het Frans gestelde beoordelingsrapport wordt hij een goede antifascist genoemd, een man die politieke belangstelling toont en die geïnteresseerd is in de pers. Zijn zonen voegen er aan toe dat hij in later jaren ‘een wandelende encyclopedie’ was. Hij raakt aan het front tot twee keer toe gewond, de tweede keer zwaar.

“Na mijn opknapbeurt ben ik aan het Aragonfront een beetje zwaarder te pakken genomen. Ik kwam toen in een groep te zitten die voor revalidatie in aanmerking kwam, omdat je je niet meer uit de voeten kon maken als soldaat. Elke maand kwam een commissie langs om te kijken wie geschikt was en ik kon me melden aan die tafel wat ik wilde, maar ik werd niet meer geschikt bevonden. Door de verwondingen liep ik met mijn enkel op de grond. Ik mocht nog wel dienst doen achter het front.”

Gunther kreeg de mogelijkheid om naar Parijs te gaan  en zich daar te laten behandelen. Maar de wachtlijst daar was lang en toen begin december 1938 het eerste grote transport met leden van de Internationale Brigade die terug gingen naar Nederland in Parijs stopte, sloot hij zich bij hen aan en ging terug.

“In je zomerkleding kwam je hier aan in december, het was pittig koud, en op het stationsplein hier in Amsterdam werd je met de blanke lat tegen de wereld geslagen. Zo kwam ik terug: knolsmerissen en loopsmerissen die aan het rammen waren.”

Eenmaal thuis krijgt hij bezoek van de recherche die hem oa foto’s toont van Nederlanders in Spanje. Of hij maar namen wil verstrekken – wat hij uiteraard weigert. “En toen kreeg ik een afschrijving dat ik statenloos was verklaard, zonder dat ik voor de rechter werd gesleept om me te verweren.”

Over de oorlogsjaren is hij heel kort. Zijn zonen weten vaag iets over rondbrengen van de Waarheid en een overval op een voedseldistributiedepot.

“Na Spanje, met horrelvoet terug, aansluitend de oorlog en weer in het verzet – het is dus een periode geweest van ’37 tot ’45. Hehe, nou kunnen we weer aan een normaal leven deelnemen. Na veel vieren en vijven kom ik bij de Rijksverzekeringsbank. Vragenlijst invullen: voor de oorlog, tijdens de oorlog enzovoort. Ik schrijf: van ’37 tot ’39 buitenland. Ik heb daar tot volle tevredenheid gewerkt.”

Tot ze er achter kwamen dat ‘buitenland’ in dit geval Spanje betekende: Gunther wordt ontslagen.

“Toen kwam ik bij een hogere ambtenaar en die zei: dat ontslag is terecht gegeven. Ja, waarom ben je dan ook naar Spanje gegaan?”.

 

Bronnen: 

Martin Schouten: Voor de oorlog. Herinneringen aan de jaren ‘30, Bezige Bij, 1982. P 214 e.v.

Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Justitie: Archiefbescheiden betreffende Oud-Spanjestrijders, nummer toegang 2.09.99, inventarisnummer  37, 78

Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F. 545-Op.3-D.74-L.2

Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.35-L.18

Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.403-Ll.5, 29

 

Auteur: 
Yvonne Scholten
Laatst gewijzigd: 
23-08-2017
Overige gegevens
Sekse: 
man
Beroep: 
Kantoorbediende
Functie: 
Handgranatenwerper, Sergeant
Adres: 
Koninginneweg 33
Woonplaats: 
Amsterdam
Datum vertrek Nederland/aankomst Spanje: 
16-06-1937
Datum terugkeer: 
05-12-1938
Gewond: 
ja
Nederlanderschap afgenomen: 
ja
Nederlanderschap teruggegeven: 
06-06-1947
Vader: 
Karel Willem Gunther
Beroep vader: 
Varensgezel
Moeder: 
Jannetje Helena Elisabeth Landzaat
Partner: 
Margaretha Elisabeth Zwemmer
Kinderen: 
2 kinderen