KLOOSTRA, Arie

Arie
Kloostra
Geboren:
Herpt
6 maart 1918
Overleden:
Epse
21 oktober 1998
Levensbeschrijving: 

In 1985 werd voor het boek De oorlog begon in Spanje oud-Spanjestrijder Arie Favier geïnterviewd. Hij vertelt over zware dagen in Spanje: als het begon te regenen kon het dagen achtereen doorgaan. En dan zaten de soldaten te kleumen in hun schuttersputjes en liepen vaak de meest verschrikkelijke ziekten op:

“Ik had een jonge jongen bij me, Kloostra, ja, Arie Kloostra, die was pas uit Nederland gekomen, die zat ook in ‘Thälmann’, ja, hij was pas achttien, een jongen met allemaal blonde krulletjes, een beetje een ‘Afro’ kapsel, allemaal van die hele kleine krulletjes. Daar lag ik mee in zo’n schuttersput, maar dan zaten we tot halverwege onze kuiten in het water. En als je daar dag en nacht in zit krijg je het te pakken. Daar hebben we het opgelopen, Arie Kloostra ook. Maar die had het in veel mindere mate, die had bronchitis gekregen, maar dat kwam dus door die omstandigheden.”

Arie Kloostra was iets ouder dan Favier hem schatte, in maart 1938 was hij 20 geworden en vlak daarvoor of daarna naar Spanje vertrokken. Twee oudere broers uit dit overtuigd communistische Haagse gezin waren hem een jaar eerder voorgegaan: Henk, de oudste van zeven broers en vijf zusters en Johan, twee jaar ouder dan Arie. Henk was in Spanje gesneuveld maar het is niet duidelijk of de familie dat wist op het moment van Arie’s vertrek. Arie’s zoon Mario vertelt dat Arie’s moeder bepaald niet gelukkig was met zijn vertrek: de derde zoon die naar Spanje ging. Henk en Johan waren weliswaar samen vertrokken maar waren bij verschillende onderdelen terecht gekomen en hebben elkaar in Spanje uit het oog verloren. Dat Henk al op 25 november 1937 in een ziekenhuis in Esteban de Litera aan tyfus was overleden is pas rond 2013 bekend geworden. In een uitzending van het tv programma “Andere Tijden” gaat zijn neef Mario op zoek naar het verhaal van zijn oom die aan het Aragon-front streed. Het lukt om het graf van Henk te localiseren. 

In het boek De bus uit Dachau staat een verslag van het gesprek dat de schrijvers hadden met de twee broers Kloostra die Spanje overleefden.

“Voor Johan en Arie Kloostra was de oorlog al in 1936 begonnen, in Spanje. Of eerder nog, in 1933, toen Hitler in Duitsland aan de macht kwam. Huize Kloostra in Den Haag was van meet af aan een opvangcentrum voor vluchtelingen uit Duitsland. 'Iedereen bij ons thuis was antifascist. In 1933 hadden wij al het ‘bruinboek’ gelezen en van een kennis die voor zijn werk veel in Duitsland kwam, hoorden we veel over de toestanden daar', zegt Arie, de jongste van de zeven broers Kloostra. Johan: 'Het opvangen, het naar veiliger oorden helpen van vluchtelingen uit Duitsland was in het vooroorlogse Nederland geen ongevaarlijke zaak. Het was illegaal werk, de Nederlandse autoriteiten waren zeer op ons gebeten. Vaak ben ik doodsbang geweest, als ik met eentje contact moest opnemen, met hem over straat moest om hem verder te helpen. Maar ze hebben ons ook geholpen. We zijn een aantal van die mensen later nog wel eens tegengekomen, in Spanje maar ook in het concentratiekamp en toen hielpen ze ons als dat mogelijk was.' Arie en Johan werden door een Duitse oud-Spanjestrijder uit de XIde brigade, werkzaam op de administratie van het kamp, van de dodenlijst gehaald – in hun plaats werden twee anderen, vermoedelijk zwarthandelaren, op deze lijst geplaatst.

Toen in 1936 in Spanje de Burgeroorlog uitbrak sprak het eigenlijk vanzelf dat de Kloostra’s zich daarmee zouden inlaten. Johan: 'Wij begrepen onmiddellijk dat het daar ging om een strijd tussen vrijheid en fascisme. Daar in Spanje werd niet alleen tegen Franco gevochten maar ook tegen Hitler en Mussolini. En het internationaal fascisme diende op alle fronten en met alle middelen bestreden te worden.' Arie: 'Henk, Johan en ik hadden afgesproken dat we met zijn drieen naar Spanje zouden gaan. Op een avond kwam ik thuis, de tafel was gedekt, maar Henk en Johan kwamen maar niet opdagen. Moeder begon zich ongerust te maken en vroeg zich af wat met hen was gebeurd. Ik zei toen: ‘Moeder, die zijn naar Spanje vertrokken.' Ze schrok wel even maar ze wist, net als wij allemaal, dat het eens zou gebeuren. Als je het altijd over het antifascisme hebt, moet je ook bereid zijn offers te brengen, dat was het standpunt van mijn ouders en van ons allemaal. Maar ik had wel de pest in dat ze waren vertrokken zonder mij mee te nemen, zonder me te waarschuwen.’ Johan: 'Arie was te jong, hij was nog minderjarig, zeventien jaar nog maar toen wij in april 1937 vertrokken.' Arie: 'Ik was vast van plan achter ze aan te gaan. Ik heb ontslag genomen – ik was stoffeerder bij Pander – en ben naar mijn baas gestapt, een man die bekend stond om zijn nazi-sympathieën. ‘Pander’, zei ik tegen hem ‘ik neem ontslag ik ga tegen je partijgenoten in Spanje vechten. ‘Kloostra’, antwoordde hij ‘ik ben geen nazi maar ik wil mijn bedrijf redden, want als jullie soort aan de macht komt, ben ik alles kwijt.’ Daarna heb ik mijn motorfiets verkocht en het geld ter bewaring aan een vriend gegeven met de afspraak dat hij het aan mijn moeder zou geven als ik vertrokken was, want het was in die crisistijd bepaald geen vetpot bij ons thuis. In oktober ’37 ben ik samen met een vriend vertrokken, gewoon met een pakje brood onder de arm, alsof ik naar mijn werk ging. Als boodschap voor thuis had ik een fotootje achtergelaten met daar op geschreven: ’Ik ben naar Spanje om mijn broers te helpen’. Arie ging dezelfde weg als Johan en Henk. Via geheime adressen en sluipwegen moesten ze de grenzen met België en Frankrijk over. Onderweg werden ze gescreend alvorens na een voettocht van zestien uur over de Pyreneeën te worden ingelijfd bij de Internationale Brigade. De drie broers hebben elkaar in Spanje nooit ontmoet.”

Volgens de officiële documenten van het archief van de Internationale Brigaden kwam Arie op 12 maart 1938 in Spanje aan – ruim vier maanden later dus dan hij zichzelf meende te herinneren. Dat zijn geheugen hem na jaren concentratiekamp in de steek liet zal nauwelijks verwondering wekken.

Toen Arie Kloostra in maart 1938 naar Spanje kwam zag de militaire situatie er voor de Republiek al slecht uit. Tussen maart en juli 1938 vonden er verschillende grote veldslagen plaats die op verliezen voor de Republiek uitliepen. In de zomer van 1938 begon de slag om de Ebro. Op verschillende plaatsen werd geprobeerd de rivier de Ebro over te steken om zo het contact tussen Catalonië en de rest van Republikeins Spanje – waar de troepen van Franco inmiddels een bres hadden geslagen nadat ze doorgestoten waren naar de Middellandse Zee- te herstellen. Arie Kloostra werd bij die slag in de buurt van Gandesa gewond, hij kreeg granaatscherven in zijn buik waar hij de rest van zijn leven last van zou blijven houden. Uit De bus uit Dachau:

“Arie wil niet veel kwijt over de slag die vier maanden duurde en die het begin van het einde van de Spaanse Burgeroorlog betekende. Alleen: ‘Er is heel hard gevochten, ook door de Nederlanders, die behoorden tot de besten’.”

In november 1938 valt het besluit om de Internationale Brigaden terug te trekken. Arie maakt in Barcelona het afscheid mee van de Internationale Brigaden die door de straten van de stad trekken en worden toegesproken door Dolores Ibarruri, “La Pasionaria”: “‘Kameraden, jullie kunnen trots weggaan, jullie zijn geschiedenis. Jullie zijn een legende. Jullie zijn het heroïsche voorbeeld van de solidariteit en de universaliteit van de democratie. We zullen jullie niet vergeten en als de olijfboom van de vrede weer bladeren krijgt, verstrengeld met de lauweren van de overwinning van de Spaanse Republiek, kom dan terug.’

Het zal tot 1986 duren voor Arie weer voet zet op Spaanse bodem.

Arie komt terug met het grote transport van Nederlandse interbrigadisten, dat officieel begeleid wordt vanuit Spanje door Nederlandse consulaire medewerkers. Ze reizen met de trein door Frankrijk en Belgie en hun begeleider merkt op dat ze zich keurig gedragen, dat ze niet voortdurend de Internationale zingen en ook niet met gebalde vuisten uit de raampjes hangen. Op 5 december 1938 arriveren ze aan de grens. Arie: “Toen we ons klaar maakten om terug te keren, werd ons van alles verteld. De Volkenbond stond er garant voor dat alle buitenlanders Spanje zouden verlaten, dus ook de Duitse en Italiaanse fascisten aan Franco’s kant. Er zouden voor ons bij terugkeer in Nederland geen repercussies zijn omdat we in vreemde krijgsdienst waren geweest, we zouden ons Nederlanderschap behouden.”

Over het behouden van het Nederlanderschap – een toezegging die volgens de Interbrigadisten was gedaan door de consuls de Wit en Schlosser – is nog een uitgebreide briefwisseling ontstaan tussen de Ministeries van Justitie en Buitenlandse Zaken maar de beslissing blijft onherroepelijk, de Spanjestrijders raken hun nationaliteit kwijt.

Arie: “We moesten ons onmiddellijk bij de vreemdelingenpolitie melden, we bleken wel degelijk statenloos verklaard , en we warden stevig verhoord over onze ervaringen, onze contacten . over de routes en adressen die we hadden gevolgd op weg naar Spanje. We warden beschouwd al seen sort misdadigers. We kregen een verblijfsvergunning, foto’s en vingerafdrukken kwamen in de dossiers, we moesten ons zeer regelmatig melden bij de vreemdelingendienst, de inlichtingendiensten hadden veel belangstelling voor ons, als we naar het buitenland wilden mochten we blij zijn als we een vreemdelingenpas konden krijgen.”

Na de Duitse bezetting van Nederland in mei 1940 gaat de hele familie Kloostra onmiddellijk in het verzet, niet alleen de zonen en dochters maar ook verschillende schoonzonen leveren hun bijdrage. Broer Tjerk wordt  op 12 februari 1943 in Den Haag in een valstrik gelokt en sterft in een vuurgevecht. Uitgelokt door Nederlandse politie-agenten die met de Gestapo samenwerkten  en daar later ook een geldelijke belonging voor ontvingen.

Vier van de broers belanden op een gegeven moment samen in het concentratiekamp Dachau, waaronder Arie. Ook de rest van de familie heeft het zwaar te verduren: zwager Cor Rademakers wordt vermoord in concentratiekamp Gross Rosen in Polen, zwager Wil van Unen komt als krijgsgevangene om bij een bombardement, de zwagers Willy en Fred Donderwinkel en Frans van den Berg overleven de concentratiekampen Amersfoort, Vught, Natzweiler en Buchenwald.

De zware jaren eisen hun tol: in 1953 wordt Arie volledig arbeidsongeschikt verklaard. Hij blijft actief in de Communistische Partij en in verschillende organisaties van verzetsmensen en oud-Spanjestrijders. Samen met Piet Laros staat hij nog in 1969 op het Binnenhof om te demonstreren voor teruggave van het Nederlanderschap aan oud-Spanjestrijders. Zelf heeft hij zijn paspoort vermoedelijk rond 1957 teruggekregen.

Op zijn overlijdenskaart staat te lezen: Arie Kloostra, ereburger van Spanje, drager van de Hans Beimler medaille en van het Verzetsherdenkingskruis is na een strijdbaar leven kalm en vredig van ons heengegaan.

 

Bronnen: 
  • De bus uit Dachau, Jos Schneider en Gijs van de Westelaken, uitgeverij Balans/HP (1987)
  • Interview met Arie Favier, IISG, Collectie Nederlandse deelnemers aan de Spaanse Burgeroorlog
  • Vuile oorlog in Den Haag, Bestrijding van het communistisch verzet tijdens de Duitse bezetting, Rudi Harthoorn, uitgeverij van Grunting 2011
  • Andere Tijden, 22 september 2013
  • 2.05.03, Ministerie van Buitenlandse Zaken, A-dossiers 1815-1940, A-197-bis Spanje, Hulp en Bijstand i.v.m. onlusten in Spanje: doos 1671, 1681
  • Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.36-L.107
  • Archief Internationale Brigaden, Moskou, RGASPI F.545-Op.6-D.404-L.43
Auteur: 
Yvonne Scholten, met dank aan Mario Kloostra
Laatst gewijzigd: 
16-03-2016
Overige gegevens
Sekse: 
man
Beroep: 
Stoffeerder
Overtuiging: 
communist
Adres: 
Laakkade 410
Woonplaats: 
Den Haag
Datum vertrek Nederland/aankomst Spanje: 
12-03-1938
Datum terugkeer: 
05-12-1938
Gewond: 
ja
Nederlanderschap afgenomen: 
ja
Nederlanderschap teruggegeven: 
1947
Vader: 
Tjerk Kloostra
Beroep vader: 
Machinebankwerker
Moeder: 
Josina Kooijman
Partner: 
Tilly Rademakers