NEIJSSEL, Karel

Carl Friedrich
Neijssel
Geboren:
Amsterdam
9 maart 1917
Overleden:
Amsterdam
27 september 1996
Levensbeschrijving: 

Van staatsgevaarlijke persoon die, zoals zoveel Spanje-strijders in ’39, zijn paspoort moest inleveren, tot gewaardeerd democraat, gedecoreerd met de Gouden Speld van de gemeente Amsterdam, bijna vijftig jaar later. Zo veranderde de publieke waardering voor deze mensen en ook dus voor deze kerel uit één stuk (het cliché is hier wel op z’n plaats), deze trouwe partijgenoot kun je ook zeggen, die zijn hele leven stug volhardde in wat hij meende te moeten doen. Een leven van politiek bewustzijn en van strijd. Voor de Tweede Wereldoorlog, tijdens de oorlog en zo’n beetje alle jaren die hem restten erna.

Er is veel materiaal van en over deze oud-Spanjestrijder en ondergetekende heeft hem persoonlijk gekend. Toch komt juist ook bij deze biografie methodologische twijfel naar boven, met name rond de betrouwbaarheid van het menselijk geheugen. En zeker als het gaat om herinneringen van lang geleden en op een terrein waarover zoveel geschreven is. Eerst een korte schets van zijn ouderlijk milieu.

In uitgebreide interviews met de schrijvers van De Oorlog Begon in Spanje (uit 1980) en met Liesbeth v.d. Horst en Joke Bosch, directeur en medewerker van Verzetsmuseum Amsterdam, van begin 1996, verhaalt Karel van zijn jeugd. De volgende schets is grotendeels daaraan ontleend en aan enkele opmerkingen van zijn dochter. Hij werd geboren op Kattenburg, een Amsterdamse buurt van havenarbeiders en zeelieden. Zijn vader voer op de grote vaart. Die kende hij nauwelijks, ook omdat zijn ouders al scheidden toen hij bijna vijf jaar was. Moeder kwam uit een beter milieu, die kant van de familie was de ‘rijke tak’. Zo’n twee jaar later, in 1923,  hertrouwde moeder met de toen 35-jarige Dirk de Ruiter, die Karel altijd als zijn vader heeft gezien. Karel was de op twee na oudste en kreeg in totaal vijf (stief)broers en zussen. Op ongeveer zijn elfde verhuisde het gezin naar de nieuw gebouwde Indische buurt in Amsterdam, waar De Ruiter een radiocentrale begon. Karel is in die tijd twee jaren geveld geweest door kinderverlamming. Rond zijn dertiende verdween de stiefvader plots en begon het gezin armoe te lijden. Karel moest daarom van de padvinderij af en van school (hij zat inmiddels op de u.l.o.) en kwam terecht in allerlei baantjes. (Moeder hertrouwde kort na ’45 met een bronsgieter, W. Eger, oorspronkelijk van Duitse afkomst die al jaren in Nederland woonde).

 

Politieke bewustwording

Omdat zijn moeder altijd links was geweest en door discussies op straat kwam Karel, na een tegenvallende kennismaking met de AJC (de sociaaldemocratische jeugdorganisatie), terecht bij de Communistische Jeugdbond. Op z’n vijftiende bezocht hij de marxistische jeugdschool en op z’n zestiende (in 1933 dus) werd hij al betrokken bij het immigratiewerk, de illegale hulp aan Duitse vluchtelingen. Spijt over zijn geknakte opleiding zette hij om in veel lezen. Omstreeks 1935 werd de jeugdbond opgeheven en omgezet in de VCOO ( de in 1936 opgerichte Vereeniging voor Cultuur, Ontwikkeling en Ontspanning). Ook was Karel niet vies van de fysieke strijd binnen de Rode Arbeidsweer (communistische knokploeg opponerend tegen de NSB), die maar een kort bestaan vergund was.

In januari ’37 kwam Karel onder de wapenen, als motorordonnans bij de LUWA (luchtdoelartillerie) (hij was tenslotte vlak daarvoor motorbezorger van een slagerij geweest). In juni ’37 was hij weer ‘vrij’. Waarschijnlijk was hij het halfjaar daarna werkeloos. Zijn toenmalige vriendin zou daarom de verkering beëindigd hebben en Karel zou gedreigd hebben naar Spanje te vertrekken als ze dat deed. In twee brieven uit maart ’38 schrijft hij deze Aaltje nog alsof ze na zijn Spaanse avontuur weer als voordien zullen doorgaan. In 1980 heeft hij het erover dat hij in augustus of september ’37 afzwaaide en vrijwel meteen door ging naar Spanje. Van een vriendin is dan geen sprake. In ‘96 meldt hij ook dat hij in dienst al veel over Spanje sprak en dat een superieur, kapitein Schuiling, het laatste duwtje gaf met diens opmerking: als je zo voor Spanje bent, waarom ga je er dan niet heen? Wel is zeker dat Karel van december ’37 tot februari ’39 in Spanje was, aan het front.

Naar Spanje

In de interviews (V.d.Horst/Bosch, 1996 en Dankaart c.s., in 1980 en ’85) gaat Karel vrij gedetailleerd in op zijn lotgevallen in Spanje. Hierna nu een ruime, zoveel mogelijk chronologische samenvatting van de drie relazen. Samen met een andere VCOO’er zou hij via Parijs naar Spanje vertrekken. In 1980 had hij het nog over een aantal jongens dat zou gaan. Thuis wisten ze van niets. Van zijn zus had hij 50 guldens gekregen voor kleding, daarmee kocht hij onder andere het treinkaartje naar Parijs. Toen de kameraad niet kwam opdagen, vertrok hij alleen. In Parijs stapte hij in een taxi en wist alleen maar “Parti  communist” te zeggen. Dat voldeed. In een lokaal van de partij werd hij met een Duitse tolk erbij ondervraagd. Overnachten kon hij in een hotel en eten deed hij van bonnen van de partij. Hij had geen idee wat hem te wachten stond, “Nederland was altijd in vrede geweest”, puur de wil het Spaanse volk te helpen en een beetje avonturierszin hadden hem hier gebracht. Na vier dagen, toen Amsterdam zijn gegevens had bevestigd, ging het in de trein met een hele groep naar de Spaanse grens. Ze waren met z’n vijfentwintigen ongeveer, Engelsen, Fransen en Karel als enige Nederlander plus twee gidsen. “…..Niet teveel kletsen natuurlijk, er konden spionnen zijn!” Hij herinnert zich nog twee Engelsen, vader en zoon. In Zuid-Frankrijk werden ze ondergebracht in kleine huisjes - overal waren groepjes helpers - en na een nacht van zo’n dertien uur lopen over de Pyreneeën bereikten ze ’s ochtends Figueiras. Een welkom met een sigaret, tegelijkertijd de waarschuwing dat dit de laatste echte was, daarna moesten ze wennen aan een soort gras! Tabak blijft het hele verblijf in Spanje een belangrijk onderwerp, zeker in de brieven naar het thuisfront. Na registratie ging het meteen door naar Albacete, het hoofdkwartier van de interbrigadisten, voor opleiding en indeling. In 1980 vermeldde hij het opleidingscentrum in Madrigueras. Hier bleek hij scherpschutterstalent te hebben en kwam hij in een groep terecht van Hollanders en Duitsers (met onder anderen de later gesneuvelde Jantje Zomer). Begin maart ’38 meldt hij zelf vol trots bij schietwedstrijden twee pakjes (goede) Zweedse tabak te hebben gewonnen.

Aan het front

De omstandigheden aan het front waren natuurlijk zwaar, Karel vertelt over zichzelf dat hij echter al tamelijk gehard was (padvinderij en militaire dienst), in tegenstelling tot veel Hollanders die voordien geen enkele ervaring opgedaan hadden met slapen in de openlucht bijvoorbeeld. In het begin was het ook nog wel aan de verre fronten zo dat iedereen thuis ging slapen. Hij was ordonnans maar wilde actiever deelnemen. Zo kwam hij als enige Nederlander terecht bij het bataljon-Dimitrov, in de 129e brigade te midden van Joegoslaven, Hongaren en Tsjechen. Taalproblemen waren er niet: de commando’s gingen in het Spaans, Rosman was zijn commandant; en voor het klaverjassen hadden ze ook geen taal nodig (er werd zelfs geklaverjast tijdens de beschietingen aan het Teruel-front).

Desertie kwam natuurlijk ook voor. Je had allemaal wel eens gedachten in die richting als het tegenviel. Hij heeft er begrip voor, want het was vaak erg zwaar. Noemt in dat verband Sal Dormits die een vrouw en kind had.

Zo’n bataljon van ongeveer honderd man kende verschillende secties en Karel werd weer (lopende) ordonnans/boodschappenjongen tussen die secties. Ook ging hij als beveiliger, als degene die rugdekking geeft, mee met verkenners. Zo moest er bij Teruel een brug opgeblazen worden. Later hoorde hij van Leo Klatser dat dat gevaarlijk werk was, “….maar ja, gewone Hollandse jongen, je stond daar niet bij stil.” Ook hoorde hij pas veel later van Leo aan welke fronten hij geweest was. Vijftig jaar later, met een groepje reünisten terug bij de ruïne van die brug viel het nogal tegen:      “…. een droge sloot met slechts een paar pilaartjes!” Ja, het was ook geen heldendom geweest, meer onnadenkendheid. Hoe vaak een commandant hem niet had toegeschreeuwd: “Carlos. Abajo!” (Liggen!). Trudel (van Reemst), (verpleegster in Spanje en jarenlang met Karel bevriend) noemt me nog steeds Carlitos”(Kareltje).

Op de vraag hoe ze omgingen met gevallen kameraden, geeft hij aan dat je vaak pas ’s avonds merkte wie er misten. “Je ging naar voren, nam een nieuwe positie in en wat er achter je was, wist je niet. (…) Dat beïnvloedde je niet. Moet altijd denken aan Arie Kloostra die zei dat hij de plaats ging innemen van zijn (oudere, in Spanje gesneuvelde) broer. Je was je bewust waar het om ging, je wist niets van wat daar gebeurde.” Niet voor niets waren er politieke commissarissen, ook voor de opvang, want soms moest je terrein opgeven (…..) waar blijft godverdomme die versterking dan?”

In het begin was er onvoldoende bewapening, werd er gevochten met molotovcocktails (een Spaanse uitvinding, vermoedelijk voor het eerst gebruikt door Franco’s troepen tegen Russische tanks) tegen tanks maar, voegt Karel er aan toe “…..wij hadden geen enkele tank. Later waren er goede Russische geweren. Die anderen waren wel goed bewapend, Franco kreeg alles, wij niets. De Hollanders waren ook bij het Ebro-offensief, zijn er overheen gekomen, ondanks de hevige bombardementen. Je werd daar enkel bewuster door. We kwamen zo ook bewuster terug in Holland.”

Ongeschonden kwam hij het Spaanse avontuur niet door, hij is gewond geraakt aan een enkel onder andere. Sigarettenvloeitjes dienden als eerste verband. Het ziekenhuis van Denia leerde hij zo kennen.

De dagelijkse routine bestond uit: koppen tellen, dan de gewone diensten en daarna vrijwilligerswerk. Hij wist vaak niet waar ze op afgingen, hij hobbelde gewoon mee met routine-patrouilles of -verkenningstochten. De troepen waren namelijk niet gelijkmatig verdeeld. Het was dus: waar zijn de troepenconcentraties, waar is een aanval te verwachten?

Over het dilemma van doden en een betere maatschappij nastreven heeft hij niet een heel heldere opvatting. Ook noemt hij de vele politieke discussies, vooral die in ‘38 toen Tsjecho-Slowakije ingenomen was  met de Tsjechen die de nazi’s in eigen land wilden gaan bevechten. Stevig argument tegen was dat de oorlog in Spanje nog gestreden werd en in het thuisland al beslecht. Het nieuws haalden ze uit de bulletins van de hand van Janrik van Gilse. Hij had ook wel eens het gestencilde krantje Dagelijksche Berichten onder ogen gekregen.

Gewoonlijk waren de belangrijkste momenten te velde de twee keer per dag dat de mula (ezel) met voedsel kwam, ’s ochtends water en brood en ’s middags warm eten. Er waren geen tenten, geslapen werd in een soort poncho in de openlucht en ze probeerden zich zo goed mogelijk te wassen met water uit de put of van een riviertje. In het achterland was er wel enig contact met de lokale bevolking, als ze de boeren gingen helpen. Zijn soldij weet hij niet meer, het was niet veel; het ging op aan sigaretten en lekker eten, gemaakt door een dorpelinge ergens. In een van zijn brieven uit begin maart ’38 noemt hij een soldij van 100 peseta’s per tien dagen, een geweldig salaris in het Spanje van die tijd. Misschien heeft zo’n hoog bedrag ook maar kort standgehouden. Wel herinnert hij zich dat de helft van de soldij naar een geadopteerd kindertehuis ging. Contacten met meisjes waren lastig, het moest meteen serieus worden, met een chaperonne erbij. “Dat je je heel correct gedroeg. Dat was heilig voor ons….”.  ’s Avonds was er soms vertier van muzikanten en werd er gezongen. Vanwege de waterschaarste werd er veel wijn genuttigd, in de jeugdbond was Karel dat zeker niet gewend. Er was verbroedering met de andere nationaliteiten en soms felle discussies (bijvoorbeeld de al genoemde met de Tsjechen). Tot begin ’39 lag hij aan de verschillende fronten: Teruel, Levante, Ebro. Naast lofzangen op de gemotiveerdheid en kwaliteiten van de interbrigadisten heet het in het interview in 1985 ook plots in een bijzin dat er bonje was met de Duitsers en Oostenrijkers in het bataljon.

Aan stormlopen met de bajonet op het geweer heeft hij ook deelgenomen: “….de moren vluchtten meteen als wij schreeuwden.” Een bajonetsteek zouden ze als onrein gezien hebben. Vanwege de bombardementen op Valencia onder andere ging de luchtafweerbatterij naar die stad. Maar dat was saai, daar had hij eigenlijk geen zin in.

Contact met thuis was er via brieven, meestal met het verzoek om sigaretten. Het was natuurlijk normaal volgens hem dat de post gecensureerd werd. Thuis vond hij ook nog brieven van een Spaans meisje met wie hij een paar keer was uit geweest, Delfina Bilbao. Door mobilisatie en oorlog heeft hij daar nooit op gereageerd.

Terugkeer

Na de terugtrekking van de interbrigadisten (“….een klap in het gezicht, het verraad van de democratieën! Hitler en Mussolini hadden toen hun handen vrij om aan de Tweede Wereldoorlog te beginnen (….) wij wisten dat”) kwam Karel terecht bij een keukendienst in het achterland, aan de andere kant van Valencia. Hij heeft daar zelfs met oud en nieuw nog oliebollen gebakken en honden geslacht voor het vlees. De Spaanse bevolking was zeker op hun hand. Karel c.s. hadden niets gemerkt van de POUM-opstand. Maar,  “…..kijk naar Hollander Piet, die was anarchist, die zei ook: ja, komt er opstand, dan zal ik ze neer moeten schieten.”

Zijn moeder was ervan uitgegaan dat hij dood was toen hij niet in ’38 met alle andere Hollanders terugkwam in het vaderland. Uiteindelijk ging hij in januari ’39 per boot naar Barcelona, dat toen nog net niet was ingenomen dor de troepen van Franco, en met de trein naar Figueiras, waar hij samen met zevenentwintig Nederlanders op een lijst werd ingeschreven. Er was nog een propagandistische mars van een aantal interbrigadisten om ingezet te worden bij de verdediging van Barcelona, dat echter de volgende dag al viel. Toen ging het met veel Spaanse vluchtelingen de grens over en werden ze geïnterneerd in Frankrijk, in Argelès-sur-Mer. Op de lijst gerepatrieerden staan onder anderen de namen van Piet van Dijk, Sal Dormits (voormalig betaalmeester van het Dimitrov-bataljon en later politiek commissaris), Leo Klatser, Dingeman de Munck, V.d.Brink (waarschijnlijk Arie van den Brink), Nico Maurer en Klokgieters (waarschijnlijk Lambertus Petrus). Zo’n tien dagen verbleven ze daar in het interneringskamp, dat vooral uit zand bestond. Felle kritiek uit hij op consul Schlosser, een fascist volgens hem, die niets voor ze deed, evenals een delegatie van de IIe Internationale. Dankzij handelsconsul De Wit echter kwamen ze vrij en gingen ze per trein naar Amsterdam.

Na Spanje

Na de mobilisatie van Nederland kwam Karel terug onder de wapenen, weer bij de Luwa, als ordonnans. Zijn verblijf in Spanje was niet strijdig geweest met de belangen van het land van herkomst. Wel was er nog een ondervraging van “een mannetje van de inlichtingendienst: wat ik zou doen als de Russen binnenvielen. (…) Als de Russen hier onuitgenodigd komen, vecht ik tegen ze, ik ben Nederlander!” Als Spanje-veteraan kon hij op vliegveld Bergen waardevolle adviezen geven in de meidagen van ’40. Kort daarop werd hij ontslagen uit dienst, volgens hem zogenaamd als zieke maar in werkelijkheid vanwege zijn ideeën. Ongetwijfeld bedoelt hij hier zijn politieke standpunten en partijlidmaatschap.

Zoals zoveel voormalige interbrigadisten kwam Karel na mei ’40 in het verzet terecht. Hij speelde daarin geen vooraanstaande rol, verleende hand- en spandiensten waar nodig. Als Karel de Heer had hij deel aan het werk van De Waarheid. Oud-Spanjestrijders waren nuttig voor de partij, ze hadden militaire vaardigheden verworven en door alle ervaringen waren ze niet naïef. In 1941 begon hij een atelier voor kunstnijverheid, Neijssel en Co, in de Amsterdamse Rivierenbuurt (Meerhuizenplein 34IV en V), met hoofdzakelijk onderduikers als werkers, een dekmantel voor CPN-activiteiten. Na aftrek van onkosten en loonbetalingen gingen de inkomsten naar het Solidariteitsfonds van De Waarheid. En de buren van het atelier hielden wel hun mond.

Na 1941 was hij volledig bezig in de illegaliteit, als lid van de Militaire Groepen (Volksmilitie) van De Waarheid. Hij was al zijdelings betrokken geweest bij de Februaristaking van ‘41, pamfletten uitdelen en trams beletten uit te rijden. Bennie Bril kende hij in die tijd. Ook hielp hij mee aan het laten ontsnappen van joden uit transporttreinen. En vanaf ’42 deed hij ook soms dienst als beveiliger bij overvallen van het verzet. Zo ook bij de aanslagen in het Laakkwartier te Den Haag en op een spoorbrug te Rotterdam, onder R.V.V.-commandant Dormits. Eind oktober van datzelfde jaar werd hij (en ook Krijn Breur) opgepakt, nadat het fout was gelopen met Sal Dormits. Via het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, Amsterdam, de gevangenis van Scheveningen, weer Weteringschans en kamp Amersfoort kwam hij op 4 maart ‘43 als gijzelaar in Vught terecht. Bij een razzia konden de nazi’s namelijk niet genoeg mannen oppakken en werden enkele gevangenen naar Vught gestuurd. Misschien is deze Duitse vergissing wel Karels redding geweest. Bij zijn arrestatie waren de in zijn huis verborgen wapens en koffer met illegale lectuur niet gevonden. In juli ’43 werden vier gijzelaars, onder wie Neijssel, vrijgelaten. De reden hiervoor wordt nergens duidelijk. Hij hield zich een tijdje afzijdig maar begin ’44 zette hij zijn werk voor de R.V.V. voort: kranten verspreiden en nieuwsbulletins aanplakken. Dat laatste eerst ’s nachts, vanaf begin ’45 overdag op drukke plaatsen, in ploegen van zo’n vier à vijf gewapende mannen, wat veiliger bleek te zijn dan het ’s nachts plakken.

Tijdens de nazi-verhoren had hij zich van de domme gehouden, gaf hij niets prijs. "Zo is het overal geweest (zowel in Spanje, als in het verzet en in het kamp), je moest elkaar steunen. De communisten is wel verweten de macht in de kampen te hebben, maar wij waren in Spanje voorbereid, wij waren klaar voor de illegaliteit.” Theo van Reemst (arts, ook in Vught) had hem gered en aan Paultje Tops, ook voormalig interbrigadist, dankte hij z’n baantje op het kantoor in Vught. Na negen maanden werd hij vrijgelaten en hernam hij zijn verzetsactiviteiten.

Na de oorlog trouwde hij met Johanna Maria van Grieken, die hij in de oorlog had leren kennen. Het paar kreeg twee dochters. Het leven was best hard voor Karel. Als stateloze kreeg hij soms geen baan. In zijn geval was dat echter heel kort. Gelukkig was er, zoals hij in het leven stond, altijd de eenheid van de communisten. Uiteindelijk verdiende hij als electriciën zijn brood en sloot zijn carrière af als chef technische dienst van de Dijsselhof kliniek.

Politieke strijd na ‘45

Vanaf ’45 maakte hij deel uit van de Vereniging van oud-Spanjestrijders (eerst van de oprichtingscommissie). Hij was er secretaris, Wim Bandsma voorzitter en Frits Gunter penningmeester. Het begon allemaal met een grote demonstratie in de Markthallen (Amsterdam) en een collecte die fl. 10.000 opleverde. Later werd dit de Vereniging Vrij Spanje, die in ’74 overging in Comité Vrij Spanje. Pratend over die vroege naoorlogse periode noemt hij Arie Poelgeest (hij bedoelt waarschijnlijk Arie van Poelgeest) die alle namen en adressen had van de jongens die zich meldden. Onduidelijk blijft in het interview of deze opmerking beschuldigend bedoeld is. Volgens Neijssel kwamen er van de 700 tot 800 interbrigadisten zo’n 400 terug uit Spanje. Van de tweehonderd na de Tweede Wereldoorlog overgebleven interbrigadisten meldden er zich honderdvijftig bij de vereniging. Een zuiveringscommissie van de partij lichtte hen allen door op hun gedrag in de oorlog. Er vielen nadien ook nog mensen af maar “de getrouwen bleven over en we hebben gewoon de strijd doorgezet.” Een “tamelijk hechte groep”, noemt hij het. Propaganda, concrete hulp aan de illegaliteit in Spanje en contact met de Spaanse gastarbeiders, daar ging het om. Uit dat laatste kwam ook de Hollandse afdeling van de Spaanse partij voort en de Comisiones Obreras.

Van de Vereniging Vrij Spanje kon iedereen lid worden. Karel zat veel in het hele land om afdelingen te stichten, zoals hij dat noemt. Ten tijde van de Koude Oorlog bloedde de vereniging zo’n beetje dood, alle aandacht ging naar de verdediging van de partij. De aandacht voor Spanje keerde zo rond ’68 weer terug met de amnestie-eisen (ten aanzien van Franco’s terdoodveroordeelden) en er was werk aan de winkel ten behoeve van de belangenbehartiging voor oud-Spanjestrijders. Karel had wel vrij snel z’n paspoort terugontvangen, namelijk al in ‘46, omdat hij als minderjarige naar Spanje was gegaan. Woedend wordt hij in ‘96 nog steeds over SS-ers die ‘ze’ goed konden gebruiken in Korea, terwijl de oud-Spanjestrijders maar staatsgevaarlijk bleven. Hij is dan wel vol lof over Piet Laros en Rinus Dijkstra van Accion Fuego, maar verzet zich tegen dat blijven hangen in het verleden: “De strijd is nu.” Wel heeft hij zich nooit bezondigd aan verkettering van ‘afvalligen’.

Een aantal oud-verzetsmensen, onder wie Karel, zag het belang in van het vasthouden van de geschiedenis van oorlog, vervolging en verzet aan de hand van materiële bewijzen en verzamelde die. En ook begon deze groep ermee verhalen over oorlog en verzet te vertellen, met name op Amsterdamse scholen. De materiële verzameling breidde zich gestaag uit en na lang en moeizaam lobbyen, vooral ook door de inzet en ijver van deze groep oud-verzetsmensen, kwam in oktober 1985 het Verzetsmuseum Amsterdam tot stand, toen nog in de voormalige joodse synagoge aan de Lekstraat. Karel maakte vanaf de start deel uit van het bestuur en heeft er nog jaren rondleidingen gegeven.

Bronnen: 

Interview met Karel Neijssel door Liesbeth van der Horst en Joke Bosch, z.j., collectie Verzetsmuseum Amsterdam.

Mondelinge en e-mail-mededelingen door mevr. Carla Neijssel (dochter), juni/augustus/oktober/december 2016.

Interview met Karel Neijssel en Trudel van Reemst, 21-10-1980, door Hans Dankaart en Jaap-Jan Flinterman, transcriptie, collectie IISG.

Idem met Karel Neijssel, 26-6-’85, door Dankaart, Flinterman en Rik Vuurmans.

 dossier B 1587, Stichting1940-1945, Amsterdam.

 K. Neijssel, Gijzelaar in Vught, deels typoscript, deels handgeschreven, z.j., collectie Carla Neijssel.

Diverse krantenartikelen: De Waarheid (22.11.’75, 24.12.’75, 16.1.’80, 14.12.’81, 18.7.’86, 18.11.’89), Het Vrije Volk (19.2.’69, 4.4.’85) en Nederlands Dagblad (29.6.’86).

Schrevel, M. en G.Voerman, De Communistische Erfenis / Bibliografie en Bronnen Betreffende de CPN. Amsterdam, IISG, 1997.

Nationaal Archief 2.09.22, Ministerie van Justitie, 1914-1940 (Geheim Archief), inventarisnr 16810

Auteur: 
Erik Habold
Laatst gewijzigd: 
14-01-2017
Overige gegevens
Sekse: 
man
Beroep: 
Monteur
Overtuiging: 
Communist
Functie: 
Cabo
Woonplaats: 
Amsterdam
Datum vertrek Nederland/aankomst Spanje: 
00-12-1937
Datum terugkeer: 
19-01-1939
Vader: 
Gerrit Coenraad Frans Neijssel
Beroep vader: 
Bootsman
Moeder: 
Anna Gesina Schmidt
Partner: 
Johanna Maria van Grieken
Kinderen: 
2 dochters